Handboek voor machthebbers

trumpfarage222

Is Donald Trump werkelijk zo onvoorspelbaar als we denken? Vooralsnog houdt hij zich keurig aan De 48 Wetten van de Macht, beschreven in het boek van Robert Greene uit 1998. Alsof hij het op zijn nachtkastje heeft liggen. Zou het zo plat kunnen zijn? Mij zou het niet verbazen:

Wet 2. Vertrouw niet te veel op uw vrienden, gebruik uw vijanden. Als u geen vijanden hebt, zorg er dan voor dat u ze krijgt.

Wet 3. Houd uw ware bedoelingen strikt geheim. Zet iedereen voortdurend op het verkeerde been.

Wet 5. Verdedig uw reputatie. Leer uw vijanden te verslaan door bressen te slaan in hun eigen reputatie.

Wet 6. Vestig ten koste van alles de aandacht op uzelf. Het is beter belasterd te worden dan te worden verzwegen.

Wet 7. Winnen doet u met daden, nooit met woorden. Laat zien, leg niet uit.

Wet 16. Dwing meer respect af door er niet te zijn.

Wet 17. Houd anderen in spanning: creëer een sfeer van onvoorspelbaarheid. Gedrag dat onsamenhangend of zinloos lijkt, zet anderen op het verkeerde been. Ze zullen zich in alle bochten wringen om te proberen uw daden te verklaren.

Wet 21. Sukkels vangt u met sukkels: doe u dommer voor dan uw doelwit.

Wet 25. Herschep uzelf. Wees de baas van uw eigen imago. Neem theatrale kneepjes op in uw arsenaal van gebaren.

Wet 28. Treed doortastend op. Aarzeling is levensgevaarlijk.

Wet 30. Wek de indruk dat alles u moeiteloos afgaat.

Wet 32. Bespeel de fantasie van de ander. Doe nooit een beroep op waarheid en realiteit.

Wet 36. Minacht wat u niet kunt krijgen: negeer het, dat is de beste wraak.

Wet 37. Zet een fascinerend spektakel op touw. Met grote spektakelstukken vergroot u uw uitstraling.

Wet 42. Treed niet in de voetsporen van een illustere voorganger. Bezoedel zijn nalatenschap.

(Uit: The 48 Laws of Power, Robert Greene, 1998).

 

 

Risico nemen

De laatste tijd heb ik weer enorm zitten genieten in het theater. Ik zie producties in volle, opgewonden zalen, groot en klein, die me vaak nog dagenlang bezig blijven houden. Ik ga niet roepen wie of wat, dat moet de Nederlandse Toneeljury vooral doen, maar ik kan niet anders zeggen dan dat het toneel wat mij betreft in grootse vorm verkeert. Zo ben ik echt onder de indruk van ‘onze’ vaderlandse acteurs. Je ziet die meesterlijke kwaliteit ook op televisie. Klem, De Maatschap, Menten… wat wil een mens nog meer?

Het is jammer dat het genieten van die kwaliteit niet voor veel meer mensen binnen bereik is. Tournees zijn kort en toneel is steeds minder op de podia buiten de grote steden te zien. Dat heeft alles te maken met de beperkte mogelijkheden van de theatersector om nog enig financieel risico te nemen. Ofwel we durven niet, ofwel we kunnen ons domweg geen risico veroorloven. Daardoor wordt er steeds veiliger geprogrammeerd en raakt het publiek het zogenaamde ‘risicovolle’ aanbod ontwend.

Ik denk dat het de moeite waard is om opnieuw met elkaar in gesprek te gaan over alternatieve financieringsvormen, waar onder zogenaamde ‘risicofondsen’ of ‘garantiefondsen’ die het theaterveld net dat steuntje in de rug geven om wel het avontuur aan te gaan. Vanzelfsprekend vloeit een percentage van de eventuele winst terug naar zo’n fonds.

Sommige producties met veel verdiencapaciteit maken dat soort afspraken al met een particulier fonds hier en daar, maar ik kan me voorstellen dat we het idee ook op ministerieel, regionaal en gemeentelijk niveau uitwerken voor kleinere producties in minder grote zalen. Bovendien gaat het wat mij betreft dan niet om een buffer onder de financiering aan de aanbodszijde, zoals het Nationaal Theater Fonds, maar om het beperken van het risico aan de afnamekant, zodat er meer geboekt wordt.

De angst voor het nemen van risico’s ligt momenteel als een rots in de rivier. Neem deze weg en het water gaat weer stromen.

maatschap

Punk Rock Entrepreneur

‘Zijn jullie nou een festival of een instituut?’, vroeg een belangrijke relatie laatst, doelend op het aantal activiteiten die wij inmiddels met de mensen van het Nederlands Theater Festival en de Amsterdam Fringe ontplooien. Een scherpe vraag, waarop het enige juiste antwoord luidt: we zijn een festival dat, net als zoveel andere festivals, zowel gewild als ongewild taken heeft overgenomen van instituten die niet meer bestaan. Zoals het Theater Instituut Nederland (ooit ruim 55 mensen in vaste dienst, opgeheven in 2012) en het Bureau Promotie Podiumkunsten (12 arbeidsplaatsen, beëindigd in 2013).

Daarbij zijn wij allemaal freelancers die, om in ons levensonderhoud te voorzien, ieder zo’n 3 a 4 klussen per jaar aannemen en waar mogelijk elkaar een klus gunnen of deze samen doen. Na tien jaar rondzwerven hebben we een eigen kantoor betrokken met rammelende kozijnen, enkel glas en een printer die we min of meer legaal hebben meegenomen uit het voormalige Amsterdam Uitburo, dus… och, instituut… dat klinkt wel heel…eh instituterig voor wat het is, zeg maar.

Een typische festivalorganisatie zou ik ons eerder noemen. Alhoewel die festivalorganisatie tegen wil en dank steeds meer manuren nodig heeft om te blijven bestaan. Dat dan weer wel. Niet om het eigenlijke festival te organiseren, maar om de financiële condities te creëren waarbinnen dat nog mogelijk is. In de dertig jaren dat ik nu festivals organiseer heb ik het werk allengs complexer, zakelijker en vooral veel duurder zien worden.

Overleven

Ik heb op dit blog vaak gewaarschuwd dat het zakelijke het artistieke te veel is gaan overheersen. Dat steeds minder mensen met een vaste betrekking steeds meer tijd besteden aan de instandhouding van de kunstensector en niet zozeer aan het artistieke product. Dat het systeem aan het vastdraaien is. Die zorgen drukken op het gemoed van de kunsten. Collega’s stromen, al dan niet door nood gedwongen uit richting andere sectoren omdat het welzijn niet meer opweegt tegen de relatief beperkte beloning.

Geldzorgen zijn voor de meeste mensen in ons land gelukkig relatief. Maar financiële onzekerheid blijft een killer voor creativiteit en motivatie. Als je de Britse historicus Peter Frankopan mag geloven komen die geldzorgen voor ons Europeanen er wel degelijk, tenzij je toevallig tot de rijke bovenlaag behoort die alleen maar rijker wordt. Europa wordt allengs armer, beweerde de historicus afgelopen zondag in Tegenlicht. Niet in een klap, maar geleidelijk, haast onmerkbaar. Als een muur waar de verf stukje bij beetje van afbladdert. Het meest verstandige dat je nu kunt doen is tijdig op die ontwikkeling anticiperen, zegt Frankopan.

Ik heb er daarom maar weer eens een boekje bij gepakt. De Punk Rock Entrepreneur dit keer, geschreven door de Amerikaanse cultureel ondernemer Caroline Moore. Niet toevallig triggerde het woord punk me juist nu. Waar sommigen in tijden van maatschappelijk onbehagen hun toevlucht nemen tot autoritaire leiders ligt dat als product van de postpunk generatie nu eenmaal niet in mijn aard.

Misschien heeft Trump mijn wat ingedutte weerzin tegen de gevestigde orde wakker geschud. De nieuwe gevestigde orde, wel te verstaan. Trump’s gevestigde orde. En daarmee ook mijn ouderwetse weerzin tegen autoriteit en foute machthebbers met abnormaal veel geld. Bless you, Donald.

Afijn.

Het eerste dat mij bij het lezen van het boekje opvalt is dat, laten we zeggen The Festival Way of Working veel gemeen heeft met de werkwijze en attitude van Moore’s Punk Rock Entrepreneur.

Allereerst is er de noodzaak en de ambitie om zo effectief, oplossingsgericht en zo goedkoop mogelijk te werken. Dan is er de haast natuurlijke neiging om te denken vanuit het Minimum Viable Product; het minimaal werkbare product. Het realiseren van het strikt noodzakelijke zonder toeters en bellen en dat te toetsen aan de mening van het publiek. Om het daarna stap voor stap te verbeteren.

Daarnaast de nood om je bij iedere activiteit af te vragen: wat levert deze tijdsinvestering mij op? Wat brengt deze actie mij? Heeft het zin om deze publiciteitsactie uit te voeren of kan ik beter op straat tientjes uitdelen om mensen naar mijn voorstelling te lokken? Is er sprake van toegevoegde waarde? Is deze aanschaf werkelijk noodzakelijk? Kan ik het ook van iemand lenen? Of zelf maken?

Die Do It Yourself mentaliteit is typisch voor de Punk Rock ondernemer EN de festivals. Toen de Amsterdam Fringe merkte dat men zich jaarlijks blauw betaalde aan de huur van een ticketingsysteem, ontwikkelde het er zelf een. Zo beschrijft Moore hoe comedian Louis CK zijn eigen kaartverkoop ter hand heeft genomen.

Vrijheid

Zo goedkoop mogelijk werken is een mentaliteit, die je vooral niet moet verwarren met bezuinigen. Wie weinig kosten maakt koopt vrijheid, heeft minder ballast, minder zorgen en spaart als het goed is ook nog een beetje de planeet. Wie deelt, minder aanschaft of uitbesteedt aan dure bedrijven houdt als het goed is bovendien meer geld over om mensen naar behoren te betalen.

Als we met een andere blik naar materie en gebouwen kijken en consequent inzetten op het uitbannen van verspilling van tijd, goederen en talent, streven naar hergebruik en actief werken aan solidariteit met andere cultureel ondernemers, zijn we al aardig punk rock bezig.

Kansen liggen wat mij betreft vooral in effectief samenwerken (niet lullen, maar poetsen), eenvoud, vereenvoudiging van processen, een radicale focus op de meest wezenlijke eigen drijfveren, een overtuigde praktijk van trial & error, streven naar onafhankelijkheid van de grote commerciële bedrijven en in… kleinschaligheid. Liever dat kleine, wendbare bootje dan die zware olietanker. Festivalorganisaties kortom, geen instituten.

Een paar jaar geleden probeerde ik de principes van Lean Management over te brengen op mijn collega’s. Zoals verwacht sloegen ze er niet op aan. Te veel managementtaal. Te weinig tot de verbeelding sprekend. Ten onrechte vind ik overigens.

Toch nog maar eens opnieuw proberen als Punk Rock Ondernemer. Punk’s Not Dead. Ik zeg het je.

punkrock

Denken in mogelijkheden

‘Je moet eigenlijk bijna aan 5, 6 projecten werken en dan heb je geluk als er eentje doorgaat’, zei Paul Verhoeven afgelopen 6 februari bij DWDD. Zelfs na het succes van zijn speelfilm Elle heeft Nederlands beroemdste filmregisseur geen garantie op werk. Het typeert de situatie in de internationale kunsten waar men steeds afhankelijker wordt van incidentele ondersteuning. Bij ieder project is het maar afwachten of het doorgang kan vinden. Onevenredig veel tijd wordt door het kunstenveld geïnvesteerd in het zoeken naar geld, tenzij je het geluk hebt om structureel subsidie te ontvangen. Maar zelfs dan moet er nog geld bij worden gezocht.

Goed, je kunt je daar net als Verhoeven manmoedig overheen zetten en het aanvaarden zoals het is, maar op de langere termijn heeft die praktijk van incidenten wel degelijk nadelige gevolgen. Want hoe bouw je als theatergezelschap bijvoorbeeld een publiek op als je er niet zeker weet of je er volgend seizoen weer bent?

Momenteel werk ik aan een Europees theaterprogramma. Ik probeer internationale theatergezelschappen naar Nederland te halen maar merk dat dat veel lastiger is dan, zeg 15 jaren geleden. Eerder was internationaal toeren voor een gezelschap een kans waar men gretig op inging. Desnoods legde men er geld op toe. Nu is toeren voor veel theatermakers eerder bittere noodzaak geworden. Gezelschappen hopen in het buitenland namelijk het geld te verdienen dat ze thuis niet meer hebben. En dus zijn de tarieven torenhoog terwijl de ontvangende theaters steeds minder te besteden hebben. Zie daar de neerwaartse spiraal. Minder internationaal aanbod toert, met blikvernauwing tot gevolg. ‘Bovendien’, zo zei een collega laatst, ‘raken we het daardoor ontwend om dat aanbod op een goede manier bij ons publiek aan de man te brengen’.

De honderden theaters in Nederland hebben natuurlijk wel programmeringsdagen te vullen. Bij gebrek aan kwalitatief hoogwaardig theateraanbod dat nog betaalbaar is, is er ruimte gecreëerd voor producties van ontegenzeggelijk mindere kwaliteit, waar het publiek evenwel toch het volle pond voor neertelt. Dat zal zich op langere termijn wreken. Het publiek is niet op het achterhoofd gevallen en keert na een paar teleurstellende ervaringen niet weer terug.

Daar ligt een kans, zou je denken. Om voorstellingen te maken die wel die kwaliteit bieden. Maar hoe doe je dat zonder middelen? Het lijkt een onfortuinlijke catch 22. Gelukkig hebben we de Amerikanen nog, met in ieder geval tot voor kort, hun onwrikbare vertrouwen in de maakbaarheid van ons bestaan.

howtobe

Momenteel lees ik daarom How to Be an Artist Without Losing Your Mind, Your Shirt or Your Creative Compass. ‘You’re going to hate this’, zegt de schrijfster aan het begin van hoofdstuk 2, ‘maar als je niet van je kunst kunt leven, then you’ve got to get a day job’. Het is een optimistisch en praktisch boek, zoals je mag verwachten van een kunstenaar die behalve musicus en auteur tevens yoga leraar en life coach is. Tegelijkertijd is de dagelijkse kunstenaarspraktijk in de V.S. ontluisterend en verontrustend, vooral omdat de Europese situatie er in negatieve zin steeds meer op is gaan lijken. Die trend zal zich nog wel even doorzetten.

Ik acht de kans reëel dat uitgerekend de twee partijen die de kunsten het minst gunstig gezind zijn bij de aankomende verkiezingen de grootste worden. Maakt u de borst daarom maar vast nat voor een nieuw tijdperk. Als u dat niet al gedaan had. Een somber vooruitzicht? Niet per se. Als je tenminste anticipeert en blijft denken in mogelijkheden.

Waarover spoedig meer.

Nieuwe grond voor nieuw engagement

In de herfst van 2010 fietste ik naar Lage Vuursche om daar een brief te deponeren in de groene, plastic buitenbrievenbus van Kasteel Drakensteyn, het privédomein van onze toenmalige vorstin. Mijn verontrusting over de negatieve framing van de kunsten was inmiddels zo groot geworden dat het me geen kwaad leek te kunnen deze zorg te delen met onze Koningin, bewezen kunstliefhebster en beeldhouwster bovendien. Allicht dat zij de minister-president eens op een achternamiddag zou kunnen aanspreken op zijn stemmingmakerij. Niet dat ik haar daarom vroeg. Ik wilde vooral iets rechtzetten.

De negatieve framing van de kunsten (die arbeidsschuwe subsidie-verslaafden aan het subsidie-infuus) sloeg destijds een diepe krater in het zelfbewustzijn van de kunstensector. Want in tegenstelling tot wat sommigen ons graag willen laten geloven is de kunstsector niet arrogant maar naar mijn idee eerder juist ten diepste onzeker. Welke kunstenaar is er immers niet grootgebracht met het mantra: ‘je kunt ook in een fabriek gaan werken?’.

Was het terecht, die framing? Nee. De gewenste ‘eigen inkomstenorm’ werd door de kunstensector al jaren ruimschoots gehaald, het ondernemerschap tierde welig en het kunstenaanbod was zo breed en voor iedereen toegankelijk dat de schouwburgen bijna bezweken onder een overmaat aan lichtvoetig vermaak. Decennia lang hebben de podiumkunsten zich ingespannen om publiek uit alle lagen van de bevolking te bereiken: van schoolvoorstellingen tot vormingstoneel, van theater op locatie tot locatietheater; in buurthuizen, verzorgingsflats, dorpscafés, sporthallen, boerenschuren tot en met voetbalstadions aan toe. Na de revolutie in de vlakke vloer theaters in de jaren 60, waarbij de acteurs niet langer boven het publiek verheven te zien waren maar voortaan op gelijke hoogte met het publiek, volgde de stille revolutie van de festivals en kreeg opnieuw een nieuw en breed publiek op laagdrempelige wijze theater en dans voorgeschoteld.

Het kunstenveld in Nederland was sterk en speelde internationaal een toonaangevende rol. Met jaloezie werd er vanuit het buitenland naar de culturele infrastructuur gekeken, waarbij de 21 productiehuizen voor jong talent als lichtend voorbeeld golden.

Toch wist de kunstensector zich geen raad met het verbale geweld van Zijlstra, Rutte en Wilders en zag het zich hopeloos in het defensief gedrongen. De geesten in ons land werden rijp gemaakt voor draconische bezuinigingen: 300 miljoen van het kunstenbudget verdween. Een korting van maar liefst 30 % , waar andere sectoren met niet meer dan 10% werden gekort. Nog slechts 0,34 % van de Rijksbegroting werd voortaan gereserveerd voor de kunst- en cultuursector, incluis alle bibliotheken en muziekscholen; bijna twee procent lager dan een land als Oostenrijk. De 21 productiehuizen die nog maar net structurele subsidie ontvingen, werden opgeheven. De bezuinigingen bij Provincies en Gemeenten moesten toen nog beginnen.

De sector haastte zich om met lijvige rapporten de economische waarde van kunst aan te tonen, maar al kan een kind begrijpen dat een stad zonder kunst en cultuur geen leefbare stad is: voor de heersende opinie mocht het niet baten. Hoewel… heersende opinie? Het is maar de vraag of de heersende opinie werkelijk zo anti-kunstensector was of dat deze antistemming bewust door de politiek werd aangewakkerd.

Halbe Zijlstra wilde ‘snoeien om te bloeien’ zo hield hij de wereld voor: het bedrijfsleven en de private sponsor zouden het financiële gat wel vullen. Niets bleek echter minder waar. Het bedrijfsleven had zelf genoeg moeite om het hoofd overeind te houden en taalde niet naar kunst, de ‘geefwet’ met belastingvoordeel voor de mecenas werkte volstrekt niet zoals de VVD bedacht had en de culturele sector bleek geen taxushaag. Een ‘fijnmazig systeem is kapot gemaakt’, zei regisseur Johan Simons destijds. Ruim 20.000 banen in de toch al zwaar belaste kunstensector gingen verloren en het aantal werknemers zonder vast contract steeg naar 56 %; een ongekend hoog percentage. In weerwil van wat Wilders wilde, werden de topinstellingen ‘voor de elite’ sterker en vielen de zwaarste klappen vooral in de marge en het middensegment, daar waar doorgaans ‘het brede’ publiek wordt bereikt. Nooit werd het gat tussen ‘arm’ en ‘rijk’ ook in de kunstensector zo groot als onder Rutte I en II. Zijlstra hanteerde de sloophamer en het moet gezegd: de huidige minister van cultuur Jet Bussemaker wist, de positievere toon ten spijt, slechts een half deurkozijn te herstellen.

Valt de kunstensector dan zelf niets te verwijten? Zeker wel. Te veel is geprobeerd het kwaad te bestrijden met eigen middelen, namelijk het voortdurend spelen van de economische kaart. Te zeer schoot de kunstensector in een kramp of sprak het niet met één welluidende stem. Men wist de achterban (het publiek!) na een aanvankelijk vliegende start onvoldoende te mobiliseren of liet zich verleiden tot het politieke spel van onderhandelingen in de achterkamers. Een beetje er bij voor jou, een beetje er af bij de ander. Wie zijn vaste baan nog had keek uit voor een al te grote bek: wie met zijn eenmanszaak afhankelijk was van incidentele ondersteuning hield zich wijselijk op de vlakte.

Een groot deel van de sector boog deemoedig het hoofd in angstige afwachting van betere tijden. Sorry voor het schreeuwen. Excuses nog voor die Mars. Die had nooit over Beschaving mogen gaan natuurlijk. Er was niemand, ook ik niet, die opstond en het recht in het gezicht van de politiek durfde te zeggen: ‘Ik laat mij niet wegzetten als profiteur’, daarmee de verdenking op zich ladend dat Zijlstra en de zijnen misschien ergens wel een punt hadden.

Te laat durfde de sector het hardop te zeggen: het ging nooit werkelijk om de prestatie van de kunstensector of om ‘iedere avond dertig zalen in Amsterdam en Den Haag met slechts tien bezoekers op de eerste rij’, zoals Mark Rutte met droge ogen in december 2010 bij Buitenhof beweerde. De keiharde bezuinigen op de culturele sector pasten in een gevaarlijke trend van een steeds luider weerklinkend populistisch geluid waarbij nuance en waarheid niet meer tellen. Wie twee jaren geleden de buitenproportionele bezuinigingen op kunst, kunstonderwijs en de bibliotheken als een levensgevaarlijke tendens had bestempeld was genadeloos op de brandstapel van de sociale media beland. Anno 2017 ligt dat toch iets anders en bekruipt ons stilaan een ongemakkelijke waarheid.

Want net zoals de culturele sector zich geen raad wist met populistische stemmingmakerij en keiharde onwaarheden waarbij hele beroepsgroepen als onkundig worden weggezet, zo kijkt de wereld nu als een kip naar het onweer naar de eigen waarheid die onze nieuwe machthebbers creëren. ‘Dit was de best bezochte inauguratie ooit. Period.’

Wat als de meedogenloos negatieve framing van een complete sector slechts een voorbode was van de donkere tijden die ons mogelijk nog te wachten staan? Dan is er paradoxaal genoeg werk aan de winkel voor de kunsten. Want in lelijke tijden is schoonheid op zichzelf al een daad van verzet. In tijden van redeloosheid ben je met enige rede al rebel. Naar het theater gaan, een museum bezoeken is dan haast al een statement.

Of zoals essayist Bas Heijne het in zijn ‘Staat van het Theater’ bij de opening van het Nederlands Theater Festival 2016 betoogde: ‘Het theater is wakker geschud omdat men zelf hard geconfronteerd werd een wereld waarin allerlei krachten zijn losgewoeld die schreeuwen om duiding, om inzicht, om bewustwording. Die schreeuwen om – ja – theater’.

Het theater wordt kortom nu ruimhartig in de gelegenheid gesteld om uit de kramp te schieten, uit de positie van underdog te treden en leiderschap te tonen. Om klassenverschillen te overbruggen door de verhalen te vertellen die ons allemaal aangaan. Het theater kan ons samenbrengen rond een thema. De ontmoetingen organiseren die nu zo hard nodig zijn. Anders dan film kent het theater het unieke live element: de energie en de emotie die rechtstreeks van de acteur in het hart van de toeschouwer belanden. Omdat we empathische wezens zijn die meevoelen met wat er om ons heen gebeurt kan theater een buitengewoon intense beleving zijn, die ik mij talloze keren persoonlijk heb aangetrokken.

Dat klinkt hoogdravend maar kan met enig meesterschap effectief worden uitgewerkt: De Verleiders is een goed voorbeeld van wat theater in tijden van verontrusting kan doen. Op weergaloze wijze worden de bankencrisis, de zorg en de vastgoedfraude gefileerd. Carré is er wekenlang voor uitverkocht. De Verleiders brachten het zelfs tot de Tweede Kamer met het Burgerinitiatief Ons Geld, waarmee maar weer bewezen wordt dat je het belang en de kracht van theater beter kunt laten zien dan er over te vertellen.

Nieuwe grond

Natuurlijk is het maatschappelijk engagement in het theater niet nieuw. Toch zie ik een nieuw soort engagement tot wasdom komen dat zich naar mijn indruk zo’n tien jaar geleden al voorzichtig aandiende en overal in Europa voelbaar was. Het micro-engagement van het individu, kunstenaar of niet, die besluit zelf het verschil te willen maken en niet langer op de politiek te vertrouwen. De do-it yourself burger die zich afkeert van het parallelle universum van de macht; het onvermijdelijke gevolg van een steeds grotere vervreemding van de werkelijkheid in de politieke gouden kooi en de realiteit daarbuiten.

In 2007 organiseerden we Nieuwe Grond op Landgoed De Baak in Driebergen. Het was een kleinschalig festival rond kunst en engagement met als thema: ‘de kunstenaar als opinieleider’. Ofschoon de nijpende noodzaak van de kunstenaar als wereldverbeteraar toen nog niet zo erg gevoeld werd (er werd met enige gene gereageerd op de term ‘opinieleider’) kwam er een interessant gezelschap naar Driebergen: van de Nederlandse kunstenaar Jonas Staal en de Amerikaanse Yes Men tot de Poolse provocateur Artur Zmijewski en de Deense performance kunstenares Signa Sørensen. Kunstenaars die tot op dat moment vooral signaleerden, toonden en confronteerden, maar onderwijl een toenemende behoefte voelden aan het teweeg brengen van echte verandering.

Op Nieuwe Grond was verder onder meer Eric de Vroedt aanwezig, inmiddels artistiek leider van Het Nationale Theater. Zijn werk behandelt steevast prangende maatschappelijke kwesties. De Vroedt’s debuut als regisseur bij Het Nationale Theater, Race, over racisme, trekt volle zalen, inclusief politiek Den Haag. Onder de toehoorders in Driebergen was ook theatermaakster Anoek Nuyens die indruk maakt met haar voorstelling Hulp, over ontwikkelingshulp in Afrika. Haar verhaal over het ontwikkelingsfonds dat zij erfde van haar oudtante is inmiddels door menig Niet-Gouvermentele Organisatie gehoord.

Maar er zijn meer theatermakers met impact. Lucas de Man weet met zijn voorstelling De Man door Europa over de grote transities op ons continent, jong en oud te inspireren. Zijn nieuwe productie De Man Is Lam, die in april uitkomt, is er een om reikhalzend naar uit te zien.

Wat deze theatermakers gemeen hebben, en wat volgens mij grotendeels bepalend is voor hun succes, is dat zij geen van allen een getormenteerde indruk maken maar juist getuigen van grote levensmoed. Niet voor niets heet Lucas de Man’s eigen gezelschap Nieuwe Helden, wat staat voor de vrolijke onverschrokkenheid die hem zo aantrekkelijk maakt. Deze theatermakers zijn in de grond positief en uitnodigend en dragen de belofte uit van een nieuw, verfrissend perspectief. Een verademing voor het publiek dat snakt naar reflectie en lucht.

De Verleiders, De Vroedt, Nuyens, De Man, maar ook Jonas Staal leggen idealistische verbindingen die intussen tot ver buiten het theater of de tentoonstellingsruimte reiken. Denk aan de alternatieve parlementen van Jonas Staal binnen The New World Summit, het eerder genoemde Burgerinitiatief Ons Geld van De Verleiders, de nieuwe theaterreeks The Nation van Eric de Vroedt met een actieve rol voor de Schilderswijk, de ‘urban actions’ van De Man en de optredens van Anoek Nuyens voor NGO’s in neonverlichte vergaderruimtes.

Steeds vaker duikt de kunstenaar op met een holistische kijk op het kunstvak: die werkt vanuit het besef dat alles met elkaar verbonden is en de invloed van kunst dus in principe oneindig. Meer theatermakers werken aan initiatieven die daadwerkelijk het verschil kunnen maken. Je zou kunnen stellen dat de kunstenaar van de toekomst zich niet langer beperkt tot signaleren en reflecteren alleen, maar vaker directe actie onderneemt binnen het sociaal-maatschappelijke domein.

Net als de samenleving bevindt de kunst zich op een historisch kantelpunt. Het is er op of eronder: als we nu niet met meer zelfvertrouwen het tij ten goede keren gaat veel van wat wij als belangrijke waarden koesteren verloren. Dat klinkt wellicht dramatisch maar hoeveel noodklokken moet er nog geluid worden voor we echt gealarmeerd zijn?

Het populisme heeft haar intrek genomen in het Witte Huis. Populisme en kunst zijn geen vrienden. Toch koesteren wij onze kunsten niet. Integendeel: de Europese kunstensector wordt net als in de V.S. afhankelijker van bijbaantjes en in het beste geval van megalomane particuliere gevers die het beleid bepalen. De kunst hobbelt aangedaan van het ene incidentele potje naar het andere, waarmee tijd en energie verloren gaat. Steeds wordt dezelfde denkfout gemaakt: In het gesprek over financiering wordt kunst verwart met cultuur en wordt alles volgens hetzelfde marktprincipe beoordeeld.

‘De kunst heeft de politiek tot haar vijand gemaakt’, zei iemand. Het is eigenlijk precies andersom: de politiek is kunst ten onrechte als haar vijand gaan beschouwen, terwijl zij vooral in tijden van onrust haar grootste medestander is. Hoeder van de democratie, baken voor de vrijheid van meningsuiting, onderzoeker van de eigen culturele identiteit, het venster op een veranderende wereld, waarheidsvorser, verhalenverteller, geschiedenisdocent, inspirator en verbinder. Alles kortom, waar je als landsbestuurder trots op kunt zijn. Als ik Mark Rutte was zou ik mij haasten om de kunsten warmbloedig te omarmen. Ja, de kunsten hebben een eigen verantwoordelijkheid, maar de politiek kan de juiste randvoorwaarden scheppen zonder dat het per se over meer geld gaat.

‘Wat heeft kunst echt nodig?’, vroeg ik ooit aan Ritsaert ten Cate, de man die ooit de internationale avant-garde naar Loenersloot haalde. ‘Ruimte en vertrouwen’, antwoorde Ritsaert.

Die ruimte en vertrouwen moet de kunstensector in de eerste plaats zichzelf gunnen. Podia en kunstinstellingen mogen met meer bravoure de deuren open zetten voor het nieuwe engagement en minder volgzaam binnen de beleidslijntjes lopen. Braafheid regeert. Hou daar mee op.

De komende jaren wil men het subsidiestelsel voor de kunsten herzien. Laat het advies van Ten Cate daarbij leidend zijn. Geef de kunst de ruimte om datgene te doen waar zij goed in is. Stop met die gevaarlijke hetze en maak een einde aan de krankzinnige stapel papierwerk die nodig is om een beetje ondersteuning hier en een beetje geld daar te halen. Denk groter.

Bied moedig tegenwicht aan de veramerikanisering (er is alle reden toe) en stel een basissubsidie voor de kunsten in die voldoende is om plannen in de kern te realiseren, zonder ‘eigen inkomsteneis’. Een ieder wiens ambities verder reikt kan zich als ondernemer op een gezonde basis naar hartenlust verder ontplooien. Durf bovendien net als onze Zuiderburen onderscheid te maken tussen kunst en cultuur. Zolang we dat onderscheid niet helder hebben kan er geen nieuw kunst- en cultuurbeleid ontstaan.

En tot slot: heb vertrouwen. Er staat zo langzamerhand een nieuwe idealist op die even gastvrij als uitgesproken is. Die niet alleen denkt maar ook doet. Zowel binnen- en buiten de kunsten. Het is de hoogste tijd dat we ons daar angstvrij bij aansluiten. Praktische, stoutmoedige idealisten, onafhankelijke geesten en bezielde non-conformisten zijn gewenst. Of zoals Martin Luther King ooit zei: ‘Een ieder beslist of hij wil wandelen in het licht van creatief altruïsme of in de duisternis van destructieve zelfzucht’.

Eigen verantwoordelijkheid

In een informeel rondetafelgesprek met de PvdA zo’n twee jaren geleden stelde ik Hans Spekman voor om 15.000 partijkantoren te openen in de wijken. Ik bedoelde het niet eens ironisch. Als 15.000 leden een bordje op de deur plaatsten met daarop het partijlogo en ‘iedere maandag inloop tussen 17 en 18 uur’, zo suggereerde ik, zouden buurtbewoners hun verhaal, zorgen, frustraties of ideeën kunnen delen met ‘die PvdA-er om de hoek’ en de afstand van de Partij tot de samenleving in een keer drastisch worden verkleind. Een ‘outside the box’ suggestie natuurlijk, maar toch… Het gesprek mogelijk maken; dat zou toch moeten kunnen.

Alles is communicatie. Veruit de meeste mensen zijn gewoon aardige mensen. Daar komen we achter door meer met elkaar te praten. Ik begrijp de realiteit van de politiek op dit moment, maar ik ga niet mee in het grote doemdenken over een nieuwe wereldorde die als een duistere macht over onze planeet zou heersen. Kom nou zeg. Zoveel eer gun je Trump en Poetin toch niet? Natuurlijk ben ook ik een dag verdoofd geweest na de verkiezing van Trump. Maar op zo’n moment biedt een boek gevonden in een online antiquariaat mij troost: ‘Martin Luther King wandelt in de liefde’, zijn gebundelde preken uitgegeven in 1964.

Een bevlogen, wijs, liefdevol, onsentimenteel boek, uitgebracht in een tijd die me nog veel en veel duisterder toeschijnt dan de onze. Waarin King uitvoerig schetst hoe creativiteit en altruïsme kunnen worden ingezet voor een betere wereld en hoe we met een ‘waakzame geest en een teder hart’ gestalte kunnen geven aan ons actieve burgerschap. Dominee King legt uit hoe God tegelijkertijd streng en zacht kan zijn. En hoewel ik niet religieus ben ligt wat mij betreft in die uitleg besloten wat de weg van nieuwe progressieve leiders zou moeten zijn.

Steeds weer wijst King ons op onze eigen verantwoordelijkheid. Of willen we dat liever niet meer horen? Ik voel me namelijk wel verantwoordelijk. Ook voor de verkiezing van Trump. Al ben ik geen Amerikaans staatsburger.

We hebben een eigen verantwoordelijkheid om ons niet mee te laten sleuren in de maalstroom van het populisme dat we zo vrezen en om niet zoals Clinton mee te gaan in kwetsende retoriek, maar om een nieuwe taal te spreken en wereld uit te vinden waar we met zijn allen beter af zijn. Anders dan frontaal de aanval op een spook te openen is het effectiever om in stilte aan mooie plannen te werken en voor jezelf een liefdevolle omgeving te creëren waarin, al dan niet fictieve,  demonen buiten de deur blijven. De macht van het individu is wat dat betreft ongekend. ‘Op wie zijn innerlijke licht brandend houdt, krijgt de duisternis geen greep’.

Ik zie het populisme niet als een bedreiging. Ik zie het als een beweging die komt en weer ten onder gaat, al zal dat niet zondermeer vanzelf gaan. Ik zie het daarom vooral als een kans om de dingen wezenlijk beter te doen dan ik ze deed. En om het te betrekken op mijn eigen vak, het theater, denk ik nog maar weer eens aan Bas Heijne en zijn Staat van het Theater: ‘Het theater is wakker geschud omdat men zelf hard geconfronteerd werd een wereld waarin allerlei krachten zijn losgewoeld die schreeuwen om duiding, om inzicht, om bewustwording. Die schreeuwen om – ja – theater’.

We roepen allemaal, links of rechts, om het hardst hoe het niet moet. Maar de toekomst is aan hen die er aan bouwen. Er is een grote nood aan praktische idealisten die de handen uit de spreekwoordelijke mouwen steken.

Trump is een wake-up call. Niet de eerste. Niet de laatste en laten we wel wezen: in feite de zoveelste. Maar wel een verdomd goede reden om terug te gaan naar essenties zoals King die ooit predikte: ‘De hoop op een veilige, leefbare wereld berust bij de geschoolde non-conformisten die zich aan vrede, gerechtigheid en broederschap hebben gewijd’.

Als je dat niet meer gelooft, heb je de verkiezingen pas echt verloren.

king2

 

Radicale keuzes

Ik ben dol op domeinnamen. Ik heb er nu nog zo’n 20 geclaimd. Het moeten er ooit ruim 40 geweest zijn. Bij ieder mogelijk project dat in me opkwam, al was het nog maar een vaag idee, schafte ik meteen een bijpassende domeinnaam aan, als een hoed bij een jas die nog gemaakt moet worden.

Zo kocht ik in 2004 newsocieties.com, wat nu gewoon nieuwegrond.com heet. Een onschuldig naampje, zou je denken. Maar volgens de statistieken van mijn provider mocht ik mij destijds direct verheugen op de warme belangstelling van een respectabel aantal beveiligingsbedrijven en andere digitale waakhonden uit voornamelijk Trumpland. Ik weet niet zeker of het geblindeerde busje aan de overkant van mijn straat er ook iets mee te maken had, maar toch… Bedenk goed wat uw domeinnaam doet.

Iets dergelijks overkwam ook Sadettin Kirmiziyüz toen hij zijn voorstelling “De Radicalisering van Sadettin K.” noemde. Dat is bijna vragen om extra interesse van de overheid. Toch duikt het begrip radicalisering in een steeds bredere context op. De Vlaamse theatercriticus Wouter Hillaert noemde zijn State of the Union een ‘pleidooi voor radicalisering’ en riep hierbij op tot ‘radicale verbinding’.

Zelfs moderne boeddhisten als Noah Levine en Angel Kyodo Williams spreken over radicale keuzes, de radicale lessen van de Boeddha of in het geval van Kyodo Williams over Radical Dharma. Radicaal hoeft dus niet per definitie iets negatiefs te betekenen. Ofschoon je de keuze voor Trump ook als tamelijk radicaal kunt beschouwen.

Zelf geloof ik er steeds meer in dat de radicale keuze soms effectiever is dan werken aan geleidelijke verandering. Geleidelijke verandering heeft mij nooit van het roken afgeholpen. Radicaal stoppen wel. Zo ben ik sinds kort ook radicaal gestopt met het eten van vlees. En zo maakte RTL de radicale keuze om te stoppen met zwarte piet.

Je kunt er namelijk gewoon voor kiezen om niet langer te discrimineren. Om geen leuk bedoelde grapjes meer te maken over medemensen met een andere culturele achtergrond dan de jouwe. Om serieus werk te maken van diversiteit binnen je organisatie. Om radicaal voor een nieuwe carrière als vredesstichter te gaan. Eigenlijk is het leven heel eenvoudig. Als je maar handelt.

‘Het geheim van verandering is om niet te blijven vechten tegen het oude, maar je te richten op het bouwen van het nieuwe’, wist Socrates al. Daarom is verandering allereerst een besluit. Radicaal of niet.

angel
Rev. Angel Kyodo Williams

 

De theatersector op klompen

In het vliegtuig onderweg naar Dublin ontmoette ik een dorpsgenoot van impresario Jacques Senf uit Maasland. Zodoende kwamen we te praten over Het Theater. Na een poosje viel de man stil. Hij keek een tijdje zwijgend voor zich uit voor hij zich tot mij wendde en zei: ‘Ik ben nu 56 maar ik ben nog nooit in het theater of in het Rijksmuseum geweest. Ik ben er gewoon nog niet aan toe gekomen. En eigenlijk vind ik dat best erg’.

Ah! Potentieel publiek! denk ik dan. Want ik mag misschien geen Jacques Senf zijn; cultureel ondernemer ben ik wel. Jammer dat ik niet een kortingsbon voor het een of ander uit mijn binnenzak wist te toveren, zoals de circusmensen in ons dorp dat vroeger deden. Want er kon geen circus in het dorp komen of ik meldde me aan om mee te bouwen aan de tent. Waarvoor ik dan een kortingsbon kreeg.

(Nu geven kortingsbonnen in het circus niet werkelijk korting: de kortingsprijs is in feite de prijs die men normaal zou rekenen, maar toch voelt het als een sympathiek gebaar).

Ontmoetingen als deze drukken mij altijd met de neus op het feit dat veruit de meeste mensen niet met Het Theater bezig zijn. Ze komen er gewoon niet aan toe. Je zou kunnen denken dat mensen zich heel erg druk maken over kunst, in negatieve of positieve zin, maar het merendeel van het publiek heeft wel wat anders aan het hoofd. Dat wil gewoon een leuke avond en dat moeten wij voor ze regelen. Mijn ouders in Groningen zijn altijd een uitstekende graadmeter. Zaken waar ik mij nog wel eens druk over maak ontgaan hun volledig. Bezuinigingen op kunst? Oh ja, dat is vervelend. Kom maar bij ons in het dorp werken, zeggen ze dan. Daar mag wel weer eens wat leuks gebeuren.

Dat is het nadeel van social media. Je denkt al gauw dat je het centrum van de wereld bent. Daar zorgt Mark Zuckerberg wel voor. Kleine dingen krijgen mythische proporties. Zo moet ik nog vaak denken aan de Mars der Beschaving. Dat zou talloze mensen geërgerd hebben. Hoon was ‘ons’ deel. Nou zo was het helemaal niet. De bewoners langs de route van Rotterdam naar Den Haag stonden buitengewoon vrolijk naar de protesterende kunstenmakers te zwaaien. Gezellig. Ze vonden het maar wat knap, zo’n eind lopen. Zo laat op de avond ook.

Meedogenloze gedrevenheid

Af en toe met je beide benen op de grond gezet worden kan helemaal geen kwaad. De theatersector is een kleine, opgewonden industrie vol hevige emoties. Dat is tegelijk de kracht en de zwakte van de sector en een van de voornaamste redenen dat ik al jaren niet meer op facebook zit. Ik hou erg van mijn bezielde, inspirerende, mopperende, cynische, verongelijkte, woeste en stronteigenwijze extended family en ik zal niet ontkennen dat sommige van deze eigenschappen mijzelf eveneens niet vreemd zijn: maar ik zie ook een groot nadeel in zoveel meedogenloze gedrevenheid. Namelijk dat je wordt meegesleept in de kolkende maalstroom van je eigen emotionele gedachtewereld en je o zo broodnodige bakens verliest.

We reageren binnen ons eigen wereldje bijna op alles direct en overdreven emotioneel. Dat is het geweeklaag waar Bas Heijne het over had in zijn Staat van het Theater. Je drukt op een knop je weet wie er gaat gillen. Het gedrag is reactief en voorspelbaar. En niet zelden te zeer gericht op de eigen kleine werkelijkheid. We spreken onderling een jargon dat zo sterk is dat zelfs mijn eigen dochter me niet begrijpt als ik met een collega aan de telefoon hang.

Daarmee heeft de kunst zich een dankbaar slachtoffer van de neo-liberalen gemaakt; de Lopakhins van deze wereld, om met Heijne te spreken.

Ergo: de kunstensector zit niet zelf aan het stuur maar laat zich besturen of op zijn minst de les lezen door onbevoegde rijinstructeurs.

Want hoe ontluisterend het ook mag zijn: net als het publiek is ook de politiek nauwelijks met kunst bezig. Ze zijn simpelweg echt niet op de hoogte. Het beleid: dat moeten wij voor ze bedenken. Niet andersom. Onrust, ontevreden kiezers, ja, daar houden politici niet van. Zodra wij ze vertellen dat de sector met 25 miljoen gered is en dat maar vaak genoeg herhalen, is er iets concreets waarmee men aan de slag kan. Zo plat is het. Als politici 10 miljoen hebben ‘geregeld’ zijn ze er heilig van overtuigd dat ze iets goeds gedaan hebben. Oh? Toch niet? Is er NOG meer nodig?

Bij zijn feestelijke afscheid als Hoofd Cultuur van de Gemeente Amsterdam kwam er een onverwachte waarschuwing van Max van Engen aan het adres van de culturele sector: ‘Wees geen Rupsje Nooitgenoeg’. We stonden er destijds wat bedremmeld bij en hoorden het aan, het gratis glaasje wijn bevend in de hand. Er was net 200 miljoen op de culturele sector bezuinigd. Maar toch. Ook recentelijk hield ook Alexander Pechtold ‘de sector’ nog voor dat men niet altijd zo verschrikkelijk moet klagen.

We zouden niet durven. Zeker niet nu er 10 miljoen bij is gekomen om de schade van Zijlstra een heel klein beetje te repareren. We zijn blij natuurlijk. En dankbaar. En ofschoon ik mij afvraag of bij soortgelijke bezuinigingen in andere sectoren de treinen niet allang weken plat hadden gelegen, politieauto’s de marathon van Rotterdam niet hadden geblokkeerd of de vuilnis niet metershoog in onze straten was opgestapeld, buigen wij nu deemoedig het hoofd. Want zijn we niet allemaal opgegroeid met het mantra: ‘je kunt ook in een fabriek gaan werken?’.

Ondertussen bevechten we elkaar om toegekende subsidies als ratten in een ton. Steeds weer duiken er nieuwe thema’s op die afleiden van het grotere doel: Kunst wordt te zeer instrumenteel ingezet! (Hoezo wordt? Rustig, rustig. Je KUNT kunst instrumenteel  inzetten, ALS je dat wilt. Het is een mogelijkheid, niet een verplichting). Kunst verliest haar autonomie! (Nee hoor, helemaal niet. Maar verwacht geen volle zalen als je autonome kunst maakt. Bovendien; wat is autonome kunst?). We maken ons ongelooflijk druk maar steeds meer wordt het een achterhoedegevecht voor de gekwelde enkelen.

Rust, reinheid, regelmaat

Ik dacht niet dat ik het ooit zou zeggen maar wat de theatersector nu nodig heeft is: rust, reinheid en regelmaat. Ok, vergeet de reinheid. Maar toch. Je kunt gezelschappen opheffen, alle acteurs in vaste dienst ontslaan, de wildste projecten verzinnen om je autonomie te bewijzen en veilig te stellen maar daarmee raak je steeds meer vervreemd van de behoefte van het publiek dat nu eenmaal een heel ander tempo heeft en misschien hooguit drie keer per jaar over theater nadenkt. Je kunt ‘de maker’ centraal willen stellen, maar ‘het publiek’ begrijp echt niet wat je daar mee bedoelt. Een acteur, die kennen ze. En het liefste ‘hun’ acteur. Waarmee ze na afloop van de voorstelling misschien wel eens een glas heffen. Maar het liefst hoort men waar de voorstelling over gaat. En of het een beetje leuk is.

De schouwburgdirecteur is hun gastheer en gids. Het gezicht bij de deur, het aanspreekpunt in de kleedkamer. Hij of zij vertelt het publiek wat de moeite waard is om te gaan zien, hoe we een voorstelling kunnen duiden, de artiesten hoeveel mensen er die avond worden verwacht. De schouwburg hoort het hart van de stad te zijn, waar het geld ten dienste staat van het product en niet andersom. Waar het aanbod herkenbaar is (huisgezelschappen!), waar de gastvrijheid top is geregeld en de programmering een ijzeren regelmaat kent. Dinsdag cabaret, woensdag mime, donderdag dans, vrijdag en zaterdag toneel en jeugdvoorstellingen op de zondag. Kunst EN Cultuur. Gewoon naast elkaar. En vooral ook dat onderscheid durven maken. En een leuke kerstproductie in december.

Het zijn de simpele basisuitgangspunten, de bakens van ons werk, die we weer moeten koesteren. Het ambacht moet terug. Het fundament onder een krakend bouwwerk worden hersteld. Eenvoud moet daarbij het principe zijn. Om te beginnen met de wijze waarop we subsidies toekennen. Ik zal de eerste zijn om voor een avontuurlijk theaterlandschap te pleiten, voor schouwburgen als festivals en voor festivals als achtbanen. Maar wel gesteund op een degelijke ondergrond. Dat saaie fundament is essentieel voor een gezond en bruisend theaterlandschap. Je kunt daarna altijd nog als een losgeslagen kunstcowboy over de kale prairie galopperen, mocht je dat per se ambiëren.

In Dublin is inmiddels bijna geen structurele subsidie meer te krijgen. Voor ieder project moet  opnieuw worden aangevraagd. Ook in andere Europese landen blijven theaterprojecten steeds vaker noodgedwongen hangen in de fase van research. Research dat ontegenzeggelijk een doel dient maar waar de meneer uit Maasland toevallig geen enkele boodschap aan heeft.

De Europese podiumkunsten bevinden zich al een paar jaren in een neerwaartse spiraal. Het marktdenken vernietigt de unieke kracht van de Europese kunsten dat kon floreren omdat zij door de macht op waarde werd geschat. Het antwoord op drieste bezuinigingen moet evenwel niet nog driester zijn. In de eerste jaren van politieke bezuinigingsdrift waren we geneigd om koste wat kost te willen overleven met de wildste plannen. De onzinnigste verdienmodellen passeerden de revue. We hebben elkaar gek gemaakt met de gedachte dat dat kon; geld verdienen waar we dat in de decennia ervoor blijkbaar niet wisten aan te boren. En onszelf wijs gemaakt dat als dat niet lukt, dat het onverbiddelijke gevolg is van ons eigen falen.

Alles moest anders. We vonden dat zelf ook. Allemaal mee in de hype van transitie! Als marionetten aan de draadjes van Lopakhin zijn we gaan dansen. De gekste bokkesprongen. Ik ben er niet meer zo zeker van dat dat moet. Ik geloof dat we eerst terug moeten naar een basis van degelijkheid voor we weer vooruit kunnen. Enige Groningse nuchterheid zou nu goed zijn. Een theatersector op klompen, waarin het boerenverstand regeert. Weg uit het moeras, terug in de klei.

klompen

 

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑