Alledaagse waanzin in de podiumkunsten

De theatersector kent drie hoofdzonden. De eerste heet ‘nestbevuiling’. Dat is absoluut not done. Geen kritiek op de eigen gelederen. De tweede betreft openlijk praten over wat er mis gaat. Dat is niet de bedoeling. Dat heeft alles te maken met angst. Want ‘als ik toegeef dat er iets mis gaat, wat betekent dat dan voor mijn verdere carrière in deze toch al krappe arbeidsmarkt?’. Beter maar de schone schijn ophouden. Bovendien: als je eerlijk roept dat er iets mis gaat, staat er altijd wel een of andere klojo op die luidkeels gaat roepen dat hij of zij daar toevallig ‘helemaal geen last van heeft’.

De derde hoofdzonde is klagen. Dat mag niet meer. Het publiek, politiek en vooral het bedrijfsleven zouden daar niet meer tegen kunnen. Onzin natuurlijk, want iedereen heeft wel wat anders aan het hoofd dan zich bezig houden met de worstelingen achter de schermen van een bescheiden sector. Maar goed: in deze tijden van window-dressing moeten we succes uitstralen tot we er dood bij neervallen. En ook hier geldt dat de theatersector nooit met één mond spreekt: als de een de noodklok luidt, roept een ander dat we onszelf niet in de put moeten praten en dat het toch best wel goed gaat. Dat is het mooie aan deze sector: men is het nooit met elkaar eens. Het zijn net Nederlanders wat dat betreft. Maar het is ook een gevaarlijke zwakte. Wie niet samen optrekt is makkelijk tegen elkaar uit te spelen.

Daarom is het April-nummer van De Theatermaker over het thema ‘Uitholling’ ook zo dapper en relevant. Het wijst ons op het urgente belang van onderlinge solidariteit. Want de sector raakt zo langzamerhand opgebrand, zo blijkt. Of: ‘burned-out’, zo u wilt. ‘We vinden het in de podiumkunsten doodnormaal als projecten zonder geld doorgaan. Of als de medewerkers zwaar worden onderbetaald’, zegt Oscar Wibaut in het themanummer: ‘In de kunstensector heerst arbeidsonzekerheid, de beloning is schraal. En je maakt een product waarvan de maatschappelijke waardering niet vanzelfsprekend is’.

Zelf zie ik Wibaut’s constatering dagelijks om me heen. Onlangs sprak ik een collega van nog geen dertig jaar. Helemaal op. Hij kan nauwelijks nog uit zijn woorden komen. Paniekaanvallen houden hem wakker. Hij ervaart het werken in de culturele sector ‘als een dagelijkse strijd’ en zit nu ziek thuis. Zonder geld en zonder uitkering. Zijn partner betaalt de rekeningen.

Ik begrijp wel hoe dat komt. Die dagelijkse strijd voer ik ook. Ik heb even met de gedachte gespeeld om hier een reeks recente voorbeelden van alledaagse waanzin op te sommen die allemaal te maken hebben met de onophoudelijke zoektocht naar geld, maar ik laat het. Te bang inderdaad. Te bang om relaties te schaden. Relaties waar mijn werk afhankelijk van is. Ik kies er voor om te zwijgen zodat ik een verstandige indruk maak. Want, zo werd mij afgelopen weekeinde nog ingefluisterd: Raden van Toezicht houden niet van uitgesproken personen. Een uitgesproken mening doet afbreuk aan je carrière. En dus houden we ons gedeisd waar we ons juist wel zouden moeten uitspreken.

Nou vooruit: eentje dan. Laatst wist een semi-overheid mij te melden dat personeelskosten voortaan niet meer worden gefinancierd. En dat activiteiten bovendien rechtstreeks het belang van de omwonenden moesten dienen, omdat anders gevreesd werd voor het maatschappelijk draagvlak. En dat er natuurlijk ook elders geld gezocht moest worden.

Steeds meer bekruipt mij het gevoel dat we een failliet systeem in stand houden. Niet toevallig had een zakelijk directeur het vanmorgen ook nog over dat ‘failliete systeem’ waarmee we maar ‘blijven doormodderen’. Dezelfde woorden die mij al maandenlang ’s nachts komen bezoeken. We draaien ergens in vast en ik probeer steeds meer te duiden hoe dat komt. Met tegenzin heb ik afgelopen maanden onze kunstenplanaanvragen 2017 – 2020 ingediend. Niet dat de inhoud me niet enthousiasmeert; het is meer het gevoel dat ik bijdraag aan een systeem dat zijn langste tijd gehad heeft dat me zo tegen staat. We hebben ons laten meeslepen in een politiek-economisch spel dat niet de onze is. Deze ‘survival of the fittest’ haalt het slechtste in ons boven. Als er al subsidie komt zijn we meteen veroordeeld tot het zoeken van nog meer geld. Want: prestatie-eisen. Want: eigen inkomstennormen. Dus: een commissie beoordeelt onze plannen, vindt een deel van die plannen beslist waardevol en geeft (of heeft) vervolgens te weinig geld om ze daadwerkelijk te realiseren.

Jaarlijks moet ik tonnen aan incidentele subsidies zien te verzamelen om aan die eisen te voldoen, voornamelijk bij fondsen die steeds meer papierwerk opleveren en die steeds meer worden overspoeld met aanvragen. Om over sponsoring nog maar te zwijgen. De enigen die momenteel werkelijk aan sponsoring verdienen zijn gesubsidieerde adviseurs die je zogenaamd leren hoe een sponsor te paaien. Altijd maar die praktijk van net onvoldoende geld hebben om het echt goed te doen, om je mensen fatsoenlijk te betalen of de service te verlenen die je eigenlijk zou willen. Altijd maar te weinig tijd over houden om aan de inhoud te werken, onze enige echte kracht en echte plicht. Of zoals een schouwburgdirecteur laatst stelde: ‘Aan de inhoud kom ik pas in mijn vakantie toe’.

Alles is economie in de kunsten. Evaluatie van projecten in cijfers is belangrijker dan de evaluatie van de inhoud. Terwijl het belang van kunst in essentie ‘vrijheid’ is. ‘Kennis is vrijheid’, zei de Boeddha al. Het gaat er niet om dat je het met elkaar eens bent, of dezelfde smaak deelt, het gaat er om dat ‘kennis’ (en kunst is daar net als wetenschap een wezenlijk deel van), een fundamenteel recht van de mens is. Kennis geeft mensen de vrijheid om hun eigen mening te formuleren op basis van echte informatie. Juist in deze tijden waarin de waarheid zo wordt gemanipuleerd en de vrijheid van meningsuiting en expressie zo onder druk staat is het van levensbelang dat wij zaken die ons als mens verheffen niet langer onderwerpen aan economische principes.

Mijn voorstel is daarom even radicaal als eenvoudig: bevrijdt de kunst van alle onnodige verplichtingen waarmee het belast is. Schaf de prestatie-eisen en de eigen-inkomstennormen om te beginnen volledig af. Wat vanzelfsprekend niemand ontslaat van de plicht om met inhoudelijk sterke plannen te komen. Beoordeel plannen voor mijn part streng op hun inhoud en verstrek vervolgens een subsidie die voldoende is om het plan in zijn basis te realiseren. Wanneer we vanuit de basis denken, en zo de tering naar de nering zetten, is het aan onszelf hoeveel inspanningen we willen leveren om die basis eventueel uit breiden met extra activiteiten en extra middelen. We moeten toe naar een simpel systeem met een basissubsidie zonder plicht tot het verwerven van eigen inkomsten, gebaseerd op vertrouwen vooraf en verantwoording achteraf. Dat zal om te beginnen heel veel lucht geven en de druk op mijn borst en die van vele collega’s wegnemen.

De plannen die we nu schrijven grenzen aan waanzin. Vol ambities die nauwelijks waar te maken zijn. En we weten het. De honderden die nu een aanvraag hebben ingediend bij OCW of de fondsen verplichten zichzelf bij positieve honorering tot een jarenlange rituele dans om allerlei andere potjes. Hoe meer mensen hierdoor met burn-out langs de zijlijn komen te staan, des te groter wordt de druk op hen die de zaak nog draaiende houden.

Eisen als nog meer eigen inkomsten, nog meer publiek, nog meer maatschappelijk draagvlak, nog meer verantwoording, nog meer ambitie en nog meer innovatie jagen de theatersector over de kling. Het jaagt een onwenselijke en onhaalbare, idiote, geforceerde groei aan terwijl er juist een prangende behoefte is aan meer eenvoud, ook buiten de culturele sector. Het stellen van minder (lees: afschaffen van) eisen en dus meer vrijheid zal naar mijn overtuiging de creativiteit juist bevorderen. De druk op de fondsen zal er bovendien uiteindelijk door afnemen.

Maak het eenvoudiger. Dan maar kleiner. Dan maar soberder. Dan maar de moed hebben om te doen waarvoor betaald wordt en nog maar een klein beetje meer in plaats van altijd meer. Pleit voor ontspanning, niet voor nog meer inspanning. Dat kan alleen als we in deze sector eerlijk en solidair met elkaar zijn. Dat kan door open kaart met elkaar te spelen en onze begrotingen naast elkaar te leggen. Want waar gaat bijvoorbeeld het grootste gedeelde van die subsidiegelden naar toe? Niet naar de kunstenaar kan ik u verzekeren. Analyseer de gemiddelde festivalbegroting maar eens. Wie verdient? Inderdaad. Het bedrijfsleven. Dat nauwelijks nog in kunst investeert. I rest my case.

 

 

Advertenties

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑