De Toneelpublieksprijs en de toekomst

“De Toneelpublieksprijs gaat in 2014 niet door. De nieuwe eigenaar, het Nederlands Theater Festival, heeft meer tijd nodig om de prijs door te ontwikkelen. Is er nog toekomst voor publieksprijzen?”, zo vraagt Ruben Brugman zich deze week af op www.cultureelpersbureau.nl .

“Met een goede inbedding in social media, een laag budget en veel goodwill van de sector kun je toch heel wat moois bereiken”, zegt hij verder. Ik ben het absoluut met Ruben eens. Dat is precies de kern van mijn andere betoog op deze pagina. Maar aan het ontwikkelen van een nieuw plan zitten vele kanten. Zo kun je je bijvoorbeeld afvragen of de goodwill van de sector of van het publiek moet komen.

De Toneelpublieksprijs (TPP) bouwde in de 18 jaar van zijn bestaan nauwelijks een substantiële achterban op. Jaarlijks namen zo’n 34 voorstellingen aan de TPP deel; nog geen 5 % van het totale theateraanbod kon dus überhaupt voor de prijs in aanmerking komen. Dat vonden en vinden wij bij het Nederlands Theater Festival een groot bezwaar.

Voor deelname moest flink worden betaald; dat wierp een onwenselijke drempel op. Tegelijkertijd zien sponsors de TPP, door het relatief geringe bereik van de prijs, niet zitten. Je wilt dus een prijs die niet alleen eenvoudig is uit te voeren, maar ook een groot draagvlak kent onder publiek en gezelschappen. Het geldbedrag dat ooit aan de prijs vastzat was zeker van meerwaarde voor de winnaar, maar is in de afgelopen jaren teruggebracht tot een paar duizend euro, opgebracht door de deelnemers zelf.

Dat moet anders kunnen. Zou het publiek de prijs bijvoorbeeld voortaan niet kunnen financieren? Of maakt het meten van klantwaardering na afloop van de voorstellingen door de schouwburgen een stemsysteem op termijn overbodig? Dan blijven er nog veel vragen over; Moet het begrip ‘toneel’ nog worden gebruikt of kijken we breder? Hoeveel publiek moet er stemmen om echt van een representatieve Publieksprijs te kunnen spreken? Wat is eigenlijk het effect van een publieksprijs? Levert het daadwerkelijk meer bezoekers op?

Uit onderzoek in de filmwereld blijkt dat publieksprijzen alleen onder de bezoekers van ‘mainstream’ films enigszins effect op bezoekersaantallen hebben. Maar media-aandacht genereert, zonder publieksprijs, hetzelfde effect. Publieksjury’s, waarmee het publiek zich kan identificeren, hebben meer gevolg. Tegelijkertijd geeft het filmhuispubliek, zo blijkt, weinig om publieksprijzen. Zij gaan liever af op de mening van een vakjury en willen die toetsen aan hun eigen opvatting. Uit eigen onderzoek blijkt dat ook de bezoeker van het Nederlands Theater Festival niet heel veel waarde hecht aan een Toneelpublieksprijs. Voorstellingen genomineerd voor de Toneelpublieksprijs waren nooit echt succesvol  binnen het festival, tenzij zowel jury als publiek de voorstelling tot favoriet hadden gekozen. Of nominaties voor de Toneelpublieksprijs gedurende het seizoen een voorstelling meer bezoekers opleverden en hoeveel precies, daarover bestaan geen harde cijfers, alleen aannames.

Een eventuele ‘doorstart’ van de Toneelpublieksprijs moet dus wat ons betreft zorgvuldig gebeuren, zodat deze nog jaren mee kan. Op basis van een goed plan en gebaseerd op feiten en niet op veronderstellingen. Het ontwikkelen van een niet –fraudegevoelig, transparant (!) en liefst interactief systeem waar ieder gezelschap aan deel kan nemen zonder dat zij zelf de rekening gepresenteerd krijgen, vergt tijd. Misschien volstaat een simpel concept. Maar dat zullen we dan toch eerst aan het publiek moeten vragen.

Overigens stuurde Anne van het ITs festival mij in dit kader de mooie woorden van Ritsaert ten Cate in Man Looking For Words (TIN 1996), die anno nu nog steeds te denken geven: ‘When I advised Peter (Sellars) thus, I was remembering a speech he gave on the occasion of Mickery’s 20th birthday in 1986. He said, “The audience is the most important part of theatre. At the heart of the thing is that basic transaction, so well expressed in Shakespearean plays. We are told that this is a blasted heath. Now we, in the audience, know it’s not a blasted heath, but for the next two hours, thanks to the generosity of the audience, it will indeed be a blasted heath. Or someone tells us that they will be King Lear for the next two hours. We know they aren’t King Lear, we know they aren’t even remotely up to being King Lear: nobody is ever up to being King Lear. But as an audience we say, alright, we’ll have a better time if we allow this. The audience’s generosity confers stature upon the performers, making the experience possible. But now we live in times when we say: ‘Oh yeah? Just prove me that you’re King Lear, prove to me that this is a blasted heath. I wanna see it. Show me, if you think you can…

There’s a growing insistence that we reduce everything to a material level. Of ‘let’s count it’. Can we count how many minutes it was, can we count how many actors there were, can we count how much was spent on the set. Things are reduced to a cost and expenditure transaction. Or, as Velimir Khebnikov says in a play I’ve just directed, ‘The model of the Twentieth Century is that what we count is what counts. Not what we say. It would be wonderful if we gave words equal importance with numbers. If we could break the tyranny that numbers are currently holding over words. If we could say that there are words that numbers cannot comprehend.’

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: