In het Wilde Westen van de podiumkunsten ontbreekt het aan een masterplan

Toen Johan Simons begin december vorig jaar zijn komst naar Rotterdam aankondigde weerklonk hier en daar verontwaardigde bezorgdheid over de megalomane machtsovername van de beroemde regisseur die naast Theater Rotterdam ook de Ruhrtriënnale en NTGent onder zijn hoede zou nemen.

Nu de eerste stofwolken zijn opgetrokken lijkt het met die megalomane inzet wel een beetje mee te vallen. Simons (geboren 1946) zit aan het einde van zijn carrière, is welbewust bezig met de overdracht van zijn kennis op een nieuwe generatie en hoopt nog iets duurzaams teweeg te kunnen brengen in het Nederlandse podiumkunstenlandschap. Daarvoor gooit hij zijn volle gewicht in de strijd. Het gewicht dat hij pas laat in zijn carrière kreeg overigens: Simons piekte laat en had, in tegenstelling tot zijn navolgers, ruim de tijd om zijn talent tot volle wasdom te laten komen. Nu hoopt hij Rotterdam, en daarmee toch ook Nederland, tot een hoger artistiek ambitieniveau op te stuwen.

Watertrappelen

Die ambitie tot het maken van Grote Stappen juich ik met de dag meer toe. Ik zie namelijk een onmacht die me grote zorgen baart. Ik zie een theatersector die zienderogen marginaliseert. Een sector waarvan een groot deel worstelt om het hoofd boven water te houden, terwijl anderen aan de top het nog redelijk goed voor elkaar hebben. Die top doet het vaak genoeg zelfs uitstekend, trekt daardoor steeds meer naar zich toe, maar het middensegment en alles wat daar onder zit begint steeds harder te watertrappelen.

Men werkt samen, onderneemt, zoekt nieuwe wegen om de podiumkunsten te financieren, maar hoe je het ook wendt of keert: aan het einde van de dag gaat het uiteindelijk om, excuseer, klein bier. Hoe lovenswaardig die optelsom van kleine initiatieven ook is, hoe hard men ook werkt: meer geld komt er voor het theater niet bij. Laat staan dat theater een grotere rol in onze samenleving kan gaan spelen. Dat wat ooit was komt niet meer terug: tegen bezuinigingen zo rigoureus is geen ondernemerschap opgewassen. Columnist Thomas L. Friedman voorspelde het al: dit is niet de tijd van grote visies op de toekomst, dit is de tijd van het wegnemen van wat er was. Niet beter, slechts minder. Het ‘snoeien om te bloeien’ is snoeien geworden zonder nieuwe uitlopers.

Hobbyisme

Het is niet eens zo lang geleden dat de arbeidsinspectie de ARBO regels voor theatertechnici aanscherpte. Overwerken moest in de ban. Niet alleen omdat vermoeidheid op de werkvloer gevaarlijk kan zijn, het enthousiasme waarmee er in de theatersector te hard werd gewerkt ‘grensde aan hobbyisme’, aldus de arbeidsinspecteur en dat hoorde niet bij een professionele sector. Inmiddels is het hobbyisme volop terug: men werkt keihard om in stand te houden wat er ooit was, vaak tegen beter weten in en op het gevaar van uitputting af: de Nederlandse festivals trokken hierover onlangs nog bij Minister Bussemaker aan de bel.

De theatersector zou eigenlijk de tering naar de nering moeten zetten en alleen nog dat moeten doen waarvoor het daadwerkelijk wordt betaald. Als de sector zichzelf op die manier serieus neemt zal de kaalslag pas echt zichtbaar worden.

Steeds meer financiers vragen zich af of je kleine initiatieven die zich amper staande weten te houden wel moet blijven ondersteunen. Omdat datgene wat ze nog kunnen doen net niet goed of professioneel genoeg is. Dat zou kunnen leiden tot de keuze om het geld van lieverlee dan toch maar in de top te investeren, waar het misschien wel op zinvolle wijze rendeert. En daarmee is het Piketty-effect compleet.

Waar het de podiumkunstensector uiteindelijk aan ontbreekt is macht en overeenstemming over een masterplan.

Allereerst de macht. Er is altijd wel iemand die vermoedt dat bepaalde vrouwen of mannen in de podiumkunstensector het voor het zeggen hebben. Diegene moet ik teleurstellen: het lijkt wel zo, maar het is niet zo. Daarvoor is de theatersector enerzijds te eigengereid en te bokkig en anderzijds heeft de sector te weinig status in de ‘normale wereld’ om daadwerkelijk van macht te kunnen spreken. Johan Simons weet dat ook. In het maatschappelijke debat is een van onze belangrijkste regisseurs geen partij, noch hij, noch anderen. In tegenstelling tot sommige andere landen doet de mening van de kunstenaar er hier in het maatschappelijke discours totaal niet toe. Een kunstenaar geniet geen status in ons handelsland en zal zijn invloed op andere wijze moeten proberen te krijgen; hetzij door voor een breed publiek toegankelijk activisme (De Verleiders: door de bank genomen), hetzij door ongebreidelde inventiviteit (Studio Daan Roosegaarde).

Wilde Westen

Nou interesseert macht mij niets. Maar de invloed en het gezag om veranderingen teweeg te brengen wel. Die veranderingen zijn hard nodig; ze werden ook verwacht en verwelkomd, maar een paar jaar na de bezuinigingen moet de conclusie zijn dat het er allemaal niet beter op is geworden. Wat er was opgebouwd wordt nu houtje-touwtje aan elkaar geknoopt. Noem het inventief, noem het creatief ondernemerschap: ik noem het zorgwekkend. Zelfs meer gevorderde theatermakers moeten meer dan ooit leuren om ergens nog hun producties gemaakt, laat staan gespeeld te krijgen, incidenten bepalen de agenda, het ontbreekt aan collectieve initiatieven die echt verschil maken, bezuinigingen lijken zich lukraak te stapelen, theaters vallen om: in het middensegment en de marge van de podiumkunsten is het nieuwe Wilde Westen vol kleine, heldhaftige initiatieven langs de spoorlijn en lone rangers losgebarsten. Dat klinkt avontuurlijk en dat is het voor sommige kunst- en neoliberale cowboys ongetwijfeld, maar het grotere belang en de toekomst van de kunst dien je daar niet effectief mee.

Over de jonge makers op de prairie maak ik mij nog niet eens zo heel veel zorgen: de positie van kunstcowboy (m/v) kan heel lang heel uitdagend zijn. Het is het middensegment waar de grootste zorg zit.

Waar het aan ontbreekt in dit ruige landschap waar men zo ongeleid voortploeterend is de stip op de horizon. Een stip die ons voor de komende 25 jaar richting geeft. Want hoe richten wij dit landschap in? Hoeveel theatervoorstellingen moeten jongeren voor hun 18e gezien hebben? Hoeveel theaters hebben we in Nederland eigenlijk nodig? Hoever moet je reizen om toptoneel te zien? Hoeveel euro per hoofd van de bevolking willen we de komende decennia aan podiumkunsten besteden en waarom? Wie van de drie overheden doet eigenlijk wat? Wat na school? Welk traject doorloop je dan? Hoe internationaal moet ons theateraanbod zijn? Hoe cultureel divers? Hoe zorgen we dat de drempel voor theaterbezoek voor iedere Nederlander verlaagd wordt? Hoe creëren we ruimte voor nieuwe ideeën? Hoe professionaliseren we de collectieve belangenbehartiging? Tientallen vragen liggen voor, die roepen om een antwoord gevat in een vergezicht, een masterplan, maar die nu over worden gelaten aan de losgeslagen markt. Zonder enige vorm van regie. En dat is in essentie waar het aan ontbreekt. Aan regisseurs met een grotere visie en echte invloed. Dat kan de Minister zijn, de schouwburgdirecteur, de wethouder, evenzogoed de jonge theatermaker en inderdaad, Johan Simons. Groter denken. Ik ben inmiddels voor.

Advertenties

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑