Voors en tegens van een nieuwe theaterpraktijk

De Raad voor Cultuur adviseert de Minister om de focus in de loop der jaren te verleggen van landelijk beleid naar regionaal beleid. De gedachte daarachter is dat kunst geworteld moet zijn in de directe omgeving en dat dit gestimuleerd kan worden door regionale kunstbestedingen te matchen met landelijk geld. Dus hoe meer een regio zelf investeert, des te meer landelijk geld komt er naar de regio. Geen rare gedachte.

Een theatergezelschap of theaterhuis met een sterke binding met de eigen regio dat bovendien theaterstukken levert waar het publiek zich in herkent, met bij voorkeur een vast ensemble: dat is voor ons land niet nieuw. Niet voor niets heette het Noord Nederlands Toneel ooit ‘de Voorziening’ die het Noorden letterlijk van toneel moest voorzien, net zoals het Groot Limburgs Toneel dat deed in het zuiden.

Het voordeel van ‘eigen’ gezelschappen en theaterhuizen is dat het ‘eigen publiek’ deelgenoot kan worden gemaakt van de artistieke zoektocht en dat voorstellingen in de eigen standplaats kunnen worden ontwikkeld en groeien, voor ze, indien goed geslaagd, op tournee door het land gaan.

Was de ‘herneming’ van een geslaagde voorstelling vroeger eerder uitzondering dan regel; de theaterpraktijk van nu is bijna andersom. Theaterprogrammeurs die in het verleden nog ongezien vooraf voorstellingen boekten zijn steeds meer geneigd om het succes van een voorstelling af te wachten alvorens deze in te kopen. Daardoor komt de nadruk steeds meer te liggen op de zogenaamde ‘reprise-tournee’. Voor het publiek is dat weliswaar minder avontuurlijk maar ergens ook prettig: men weet zich verzekerd van een theateravond van bewezen kwaliteit. In het verleden was de ‘teleurstellingsfactor’ volgens sommige schouwburgdirecteuren wel eens te groot. En teleurgesteld publiek komt niet snel terug, zo is de ervaring.

Theaterproducenten

Voor theaterproducenten heeft die afwachtende houding een nadeel: het maakt het lastig om producties op basis van de met de zalen afgesproken garanties te financieren.

Ook houden theatergezelschappen stukken tegenwoordig veel langer op het repertoire. Toneelgroep Amsterdam is daar voorbeeldstellend in geweest, maar ook een kleine voorstelling als Oumi met Nasrdin Dchar kon zo in drie jaren tijd doorgroeien van de kleinste zaal van Theater Bellevue naar de 1500 stoelen van Koninklijk Theater Carre.

In Duitsland is de praktijk zo mogelijk nog effectiever: de stukken van de stadsgezelschappen worden in het eigen theater doorgespeeld tot er geen publiek meer voor is. Zo was Freitag van de Nederlandse regisseur Eric de Vroedt bijna een jaar lang op en af op de vrijdagavond in Schauspielhaus Bochum te zien.

De Duitse situatie is niet alleen maar ideaal: Duitse stadsgezelschappen zijn bijvoorbeeld, met uitzondering van de juryselectie voor het Theatertreffen in Berlijn nauwelijks in andere steden te zien, waardoor het publiek van veel interessant theateraanbod verstoken blijft tenzij het zelf reist.

Vast ensemble

Die aantrekkelijke praktijk van artistiek onderzoek in eigen huis, het hernemen en op de rol houden van succesvolle producties kan overigens alleen wanneer de Minister zorgt voor gezelschappen met een stevige basis en de financiële mogelijkheid tot het vormen van een vast acteursensemble.

De bijkomende uitdaging is dan wel om monopolies en ‘aristocratisering’ te voorkomen en er voor te waken dat topinstituten in de basinfrastructuur niet oppermachtig worden, vervreemden van de rest van het veld en steeds meer taken naar zich toetrekken; dat ondermijnt op termijn de levendigheid, duurzaamheid, slagkracht en productiviteit van de sector.

Advertenties

Reacties zijn gesloten.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: