Beweging

De podiumkunsten zijn volop in beweging. Op het gebied van productie en presentatie lijken een paar interessante zaken aan de hand. Een aantal observaties en verwachtingen op rij.

    • De traditionele schouwburg gaat zo langzamerhand op de schop. De scheiding tussen de ‘grote’ en de ‘kleine zaal’ vervaagt: theatermakers uit het kleine circuit gebruiken vaker de grote zaal voor ongebruikelijke avonden. Maar er is meer. De ‘producerende schouwburg’ is in opkomst. Net als bij bijvoorbeeld Theater De Meervaart het geval is gaan de deuren vaker open voor theatermakers die willen produceren met hun wortels stevig in de directe omgeving. Lege ruimtes worden effectiever benut: schouwburgen nemen een deel van de functies van de opgeheven productiehuizen over.
    • Het verschil tussen amateur en professional wordt minder evident.
    • Theatermakers, kunstenaars en publiek krijgen meer zeggenschap over de invulling van ‘hun’ schouwburg.
    • Theaters gaan meer met festivalformules werken en worden ‘open’ huizen, waar productie en presentatie bij elkaar komen en theatermakers en bezoekers in en uit lopen. Omdat de schouwburgen met hun eigen aanbod en zelf geproduceerde verdiepingsprogramma’s inspelen op actuele thema’s die aansluiten bij de lokale situatie worden de theaters in potentie steeds meer het ‘parlement’ van de stad. Andere functies, als bibliotheek, muziekschool en filmhuis, trekken bij theatergebouwen in.
    • Fusies, zoals tussen de Koninklijke Schouwburg en het Nationale Toneel in Den Haag worden onderzocht en krijgen gestalte.
    • De belangstelling voor theater neemt merkbaar toe. Vooral voorstellingen in de kleine zaal zijn helemaal ‘hot’. Voor plotselinge theater hits zijn de kaarten niet aan te slepen en daar komen er steeds meer van. Verscheidene theatermakers verkeren momenteel in grootse vorm. Het nieuwe elan in de theatersector werkt als een magneet: het sociale aspect van samen een unieke ervaring meemaken is trending.
    • Het theaterveld internationaliseert. Niet alleen beweegt een nieuwe generatie zich steeds meer binnen een internationaal werkveld, het aantal reizigers op de planeet zal de komende jaren verdubbelen. Theaters en gezelschappen houden meer rekening met internationale bezoekers.
    • Er komen meerdere Theaterapps. Meerdere Theaterapps worden in de komende periode gelanceerd maar ondervinden waarschijnlijk meteen al stevige concurrentie van verbeterde mobiele versies van websites.
    • Er komt beweging op de arbeidsmarkt. Een toegewijde en bevlogen generatie gaat met pensioen. Er komt na een periode van relatieve stilstand, mede veroorzaakt door de crisis, weer wat beweging op de markt. Posities wisselen. De lakmoesproef voor een nieuwe generatie kondigt zich aan: zijn de nieuwe leiders echt zo ‘horizontaal’ ingesteld als men verwacht of geldt, eenmaal op het pluche, de aloude top-down benadering? We gaan het meemaken. De theatersector emancipeert overigens eindelijk mee: er komen meer vrouwen op leidinggevende posities.
    • ‘Samen’ is in. Het Collectief zet door. Er wordt meer collectief gewerkt en besloten. Het collectief gaat het op termijn bovendien steeds meer voor het zeggen krijgen in theatergebouwen, zelfs als er sprake is van een intendant, die vooral als moderator en inspirator zal moeten functioneren. Belangenvereniging worstelen met het vertegenwoordigen van het collectief maar vinden zo langzamerhand een nieuwe vorm.
    • Intendanten zijn in opkomst. Zoveel is duidelijk. Deze inspirerende aanjagers, al dan niet zelf theatermakers, moeten gezelschappen en steden tot grotere hoogte opzwepen. Persoonlijke lef en creativiteit maken het echte verschil; het ware ‘intendantschap’ valt waarschijnlijk lastig aan te leren, zelfs niet als OCW de nog in te richten opleiding subsidieert.
    • Te eenzijdige nadruk op talentontwikkeling en topkunst. Doordat het beleid te veel op de ontwikkeling van jong talent enerzijds en topkunst anderzijds is gericht, dreigt een generatie theatermakers in het gedrag te komen; de dertiger en jonge veertiger komt lastig aan volwaardig werk en aan speelbeurten. Er is een gat geslagen tussen ‘onderkant’ en ‘bovenkant’. ‘Een fijnmazige structuur is kapot gemaakt’, stelde Johan Simons al.
    • De ‘spreidingsgedachte’ is uit. Voor grote theatergezelschappen betekent dat minder reizen en vaste relaties opbouwen met een beperkt aantal zalen en hun publiek. Langere speelseries worden hier aangeboden. In het loslaten van de gedachte dat kunstaanbod overal te zien moet zijn, schuilt overigens het zorgwekkende gevaar dat steeds meer kinderen en volwassenen van dit aanbod verstoken blijven.
    • De breedte is eveneens uit, de diepte is in. Niet alles hoeft voor iedereen geschikt en toegankelijk te zijn. Het publiek loopt warm voor inhoudelijke verdieping. Kennis vergaren, het goede gesprek: het is helemaal in. Meer zalen en culturele instellingen bieden cursussen en workshops aan.
    • De ‘festivalisering’ zet door. Festivals hebben als feestelijke gebundelde presentaties van avontuurlijke kwaliteit, waar productie en presentatie bij elkaar komen het tij mee. De organisaties zijn bovendien effectief en flexibel en daarmee redelijk crisisbestendig. De kwaliteit van festivalprogramma’s groeit.
    • Vrijwilligerswerk in de theaters neemt toe. Onder andere ouderen zijn vaker gastheer en combineren dat met een gratis bezoek aan de voorstelling.
    • De holistische benadering komt in zwang. Het besef dat alles met elkaar samenhangt heeft gevolgen voor de wijze waarop uw avondje uit wordt samengesteld. Theatermakers, programmeurs en theaterdirecties komen hierover meer en meer in gesprek. Gastvrije persoonlijkheden worden het gezicht van theaters en gezelschappen.
    • Private donors werken meer elitaire kunst in de hand. De private donor krijgt meer invloed en is steeds nadrukkelijker in het theater aanwezig. Doordat de private donor het liefste schenkt aan topkunst wordt het gat tussen de boven- en onderlaag alleen maar groter. Het ‘Amerikaanse model’ verdringt de West-Europese wijze van kunstfinanciering: het marktdenken vervangt onze cultuur-ideologische uitgangspunten waarover nauwelijks meer gesproken wordt. Topkunst voor de rijken floreert, aan de onderkant geldt straks de survival of the fittest . Politiek en kunst dreigen ook hier het exclusieve domein te worden van de bevoorrechte, machtige elite. Tobias Kokkelmans had het in zijn bevlogen betoog tijdens het Nederlands Theater Festival al over de aristocratisering van ons kunstenlandschap.
    • De tweedeling groeit. Hoewel ik het bijna pervers vind om in ons rijke westen over ‘arm’ en ‘rijk’ te praten, begint in Amerika de tweedeling tussen de’ haves en de ‘haves not ‘ inmiddels zorgwekkende vormen aan te nemen. Die tweedeling staat ons, als we niet oppassen, ook te wachten. Het Centraal Plan Bureau constateerde recentelijk nog dat het gat tussen de diverse bevolkingslagen, de zogenoemde Clubsandwich, in Nederland alsmaar groeit.
    • Een vastgoedprobleem dreigt. In Amerika zijn de zalen voor jonge theatermakers onbetaalbaar: voor uit de V.S. afkomstige kunstenaars op het Amsterdam Fringe Festival is het bizar genoeg goedkoper om naar Amsterdam te vliegen en daar te spelen dan in New York in première te gaan. Dat vastgoedprobleem dreigt volgens de Amsterdamse Kunstraad ook bij ons. Alleen daarom is het allicht niet eens zo’n slecht idee om in de schouwburgen, die zich steeds minder programmeringsdagen kunnen veroorloven, de productie- en presentatiefunctie bij elkaar te brengen.
    • Bedrijven zetten creatieve sector in voor een belevenis rond hun product. Het optuigen van een ‘belevenis’ rond commerciële producten zet door en dat zal steeds vaker in de theaterzalen te merken zijn. Zo toont Bever outdoor films in schouwburgen. De commerciële huurder krijgt zodoende meer invloed op de uitstraling van de zalen. Voor creatieve ondernemers ligt hier ook een kans.
    • Nee’ zeggen is old skool. ‘Ja’ zeggen is in. Het alternatieve theatercircuit ontwikkelt een nieuw, eigen idioom, vrij van cynisme. Nieuwe speelplekken en cross-overs ontstaan. Er wordt meer ondogmatisch gedacht. Alles kan naast elkaar bestaan. Er lijkt een herwaardering voor specialistische kennis en vakmanschap. Berlijn (‘Poor but sexy’) blijft nog wel even in de mode. En… hou vooral de nieuwe generatie Russische theatermakers in de gaten. Volgens Ira Judkovskaja moeten we echt gaan kijken wat daar gebeurt.
Advertenties

Reacties zijn gesloten.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: