Galopperen met de theater industrie

‘Een paard in z’n eentje is altijd de snelste’, luidt een Tibetaans gezegde. Het is daarom wijs om af en toe uit je comfortzone te komen en te leren van anderen. Ik leer graag van mensen uit andere sectoren, zeker als de ontmoeting op een gelijkwaardig niveau plaats vindt en er sprake is van echte, meer diepgaande uitwisseling van ervaring en ideeën.

Soms spreek ik kennissen uit het bedrijfsleven die in een ochtend meer verdienen dan ik in een maand. Zij schrikken van de tarieven waartegen in de kunstensector gewerkt wordt. ‘Met zulke tarieven neemt niemand je serieus’, is dan de eerlijke reactie. De waarde van ons product wordt regelmatig veel te laag ingeschat, vermoeden zij. Er is in de huidige maatschappij en dus ook in het bedrijfsleven, namelijk een grote behoefte aan nieuwe ideeën en creativiteit.

Toch weten bedrijfsleven en de culturele sector elkaar nog veel te weinig te vinden. Misschien omdat de culturele sector te veel wordt gezien als vrager en niet als aanbieder. Of zich te zeer als zodanig opstelt.

Als het bedrijfsleven en de creatieve sector van elkaar willen leren, en ik geloof werkelijk dat dat buitengewoon zinvol kan zijn, moeten we elkaar vinden op thema’s. Hetzij op thema’s die een groter maatschappelijk belang dienen als klimaatverandering, kansen voor jongeren en vergrijzing, hetzij op onderwerpen die voor alle partijen een win-win situatie kunnen opleveren, als leegstand van winkelpanden en herontwikkeling van krimpregio’s.

Of we vinden elkaar op een persoonlijk niveau. Als potentiele vrienden. Want uiteindelijk gaat samenwerking over affiniteit. Affiniteit ontstaat wanneer we elkaar leren kennen in een open, gelijkwaardig gesprek zonder verwachtingen en vooroordelen.

Het is een uitdaging om dat gesprek in gang te zetten. In onze kunstenplanaanvraag nam ik daar alvast een voorschot op: het woord ‘theater sector’ heb ik consequent vervangen door ‘theater industrie’. Dat klinkt in ieder geval alsof er een prijskaartje aan hangt.

Een goed begin, zouden mijn kennissen zeggen.

Foto uit War Horse on Stage

De Boeddha op het waterbed

In de dertig jaren die ik nu werkzaam in de culturele sector ben, word ik mij van één ding steeds meer bewust: we liggen op een waterbed. In dat waterbed zit een bepaald volume aan geld. Het wordt niet meer en als het goed is ook niet minder. Een paar jaren terug kwam er, dankzij de stilettohakken van Halbe Zijlstra, een groot gat in dat waterbed. Er stroomde 200 miljoen liter uit; er kwam met Jet Bussemaker weer 10 miljoen liter bij. Sindsdien ligt het waterbed een stuk minder comfortabel. Je ligt er in als een lamgeslagen bokser. Maar toch. Een waterbed blijft het. Als je op de ene zijde drukt, komt de andere zijde omhoog. Dat is het wel zo’n beetje.

Soms komt er hier een beetje bij en gaat er daar wat af. De ene periode zijn de productiehuizen in zwang en dan opeens weer niet. Of festivals zijn trending. Maar plotseling niet meer. Dan is het een tijdje een en al talentontwikkeling dat de klok slaat. Soms zomaar culturele diversiteit. Of kunst in de wijken. Kunst met maatschappelijke impact. Amateurkunst.

Of het nu om instellingen, beleidskeuzes, fondsen of personen gaat: we hechten vaak meer aan trends dan aan continuïteit. Dat geldt evenzogoed voor de sector zelf. Of zoals Ritsaert ten Cate het eens verwoordde: ‘Soms ben je een paar jaar een held. Vervolgens ben je een paar jaren helemaal uit. En dan toch opeens weer een held. Het zegt uiteindelijk niets’.

Maar waar je ook drukt: het blijft een waterbed. Meer geld komt er nooit bij. Hoe hoog de VVD ook opgeeft over hun geefwet. Hoeveel dure sponsoradviseurs er ook worden ingehuurd.

Ondertussen blijft een groot deel van de culturele sector zwemmen in een oceaan van samsara zoals de Boeddha dat noemt; een vicieuze cirkel van gedoe, overgeleverd als men lijkt aan krachten buiten zichzelf.

Dat spartelen en ploeteren in die oceaan, of om in Boeddhistische termen te blijven spreken, dat lijden van de kunstensector wordt naar mijn idee voornamelijk veroorzaakt door twee dingen: afhankelijkheid van anderen en een ongezonde neiging tot voortdurende groei.

We maken onszelf gek met de gedachte dat er iets onmogelijks bereikt kan worden. Soms voel ik me als de beroemde ezel die de beruchte wortel probeert te vangen. Immers: de museumsector is het toch ook gelukt om van de wortel te eten? De dance industrie zet toch ook meer dan 7 miljard om? Waarom lukt mij dat niet? Wat een zelfkwelling.

donkey

Want zulke vergelijkingen gaan vreselijk mank. De Sociaal Economische Raad (SER) en de Raad voor Cultuur (RvC) luidden afgelopen week niet voor niets de noodklok: de positie van werkenden in de culturele sector is zo zorgwekkend dat een deel van de creatieve sector ‘dreigt af te sterven’. Toch blijven ook de SER en de RvC hardnekkig hameren op groei: de raden vinden het noodzakelijk dat de creatieve sector nieuwe afzetmarkten vindt en daarmee haar inkomsten vergroot. Dat is echter de snelweg naar een totale burn-out.

Allereerst: verbinding zoeken met andere sectoren is beslist een kans maar onze obsessie met groei moet stoppen. Dat zou sowieso beter zijn voor de hele planeet. Wat een lucht zou het geven wanneer wij, culturele raden, fondsen, subsidiegevers en beleidsmakers die ziekmakende hang naar groei los zouden laten en genoegen zouden nemen met minder. Of minder? Nee, met een normale situatie. Prestatie naar loon. De tering naar de nering. Doen waarvoor men betaalt krijgt. En voortaan nog maar een heel klein beetje meer. Zou het loslaten van ons idee van groei niet al een revolutionaire ommekeer betekenen in de wijze waarop wij werken?

Die ezel met die wortel zit bovendien vastgeketend aan een loden bal, waardoor hij zich niet vrij kan bewegen. Dat maakt hem onrustig, moe en gefrustreerd. Hij moet te veel en mag te weinig. De voortdurende zoektocht naar geld, de afhankelijkheid van het oordeel van de gever, de niet aflatende prestatiedruk: het hangt als lood aan zijn poten.

Kleinschaligheid

Daarom geef ik auteur en columnist Ilja Leonard Pfeijfer alsnog gelijk. In november 2013 schreef hij in NRC Next: ‘De uitgeverijen moeten terug naar het oude model van kleinschaligheid en continuïteit. (…..) Het is een business model dat voor de hele culturele sector zou moeten gelden. Het hoofddoel is om mooie dingen te maken om genoeg geld bij elkaar te krijgen om dat volgend jaar weer te doen. Het doel is niet om rijk te worden’.

Vervolgens stelde Pfeijfer: ‘Ook buiten de culturele sector zou het heilzaam zijn continuïteit boven winstbejag te stellen. De meeste winkeltjes in Italië werken zo. Je verkoopt spulletjes en na aftrek van de kosten kun je ervan eten, drinken en leven. Wat is er mooier dan dat? Waarom zou je dan nog méér moeten willen?’.

Waar ik destijds in negatieve zin op aansloeg was zijn woordgebruik. ‘Rijk worden en winstbejag’ komen in de culturele sector immers niet veel voor. Maar kleinschaligheid is wel het antwoord op onze huidige afhankelijkheid. Waarom de hang naar meer en grootschaligheid? Hou het klein en compact. Bedenk kleine bedrijfjes. Organiseer je in gilden. Zorg allereerst voor een fatsoenlijk salaris voor jezelf en je mensen. Maar maak je minder afhankelijk van waar er op het waterbed wordt gedrukt. Klein maakt flexibel en een stuk minder kwetsbaar. Van daar uit kun je verder.

Soms zit ik keurig in mijn donkerblauwe pak de zoveelste vergadering over geld of een ronkende over-gesubsidieerde cursus sponsorwerving bij te wonen waarbij ik me steeds vaker afvraag: wat ben ik hier in vredesnaam aan het doen? Ik voel de geraniums uit mijn oren groeien in de tijd die ik met al die zinloze bijeenkomsten zit te verdoen. Er is sprake van een serieus energetisch lek, merk ik dan. De energie laadt pas weer op wanneer ik eindelijk weer eens gesprekken voer over de inhoud, met bevlogen, creatieve geesten die zich richten op wat er wel mogelijk is. Dat zouden we vaker moeten doen.

Momenteel ben ik daarom alle onnodige ballast aan het schrappen. Ik wil lichter reizen. Minder bagage. Traveling light. Geen onnodige overleggen meer, geen tijd meer besteden aan zaken die niets opleveren, geen verspilling meer van mensen, middelen en tijd, maar een basis neerzetten die eenvoudig maar solide is en daarboven vooral heel veel leuke ideeën bedenken en doen.

Van de culturele sector moet uiteindelijk een energie uitgaan die aanstekelijk en opbeurend is. Dat zijn we aan onze stand en toch ook aan onze gevers verplicht. We moeten daarom wat mij betreft dringend op zoek naar onze ware natuur en ruimte geven aan de bohemien in ons: onbezorgder, meer ontspannen, onconventioneler, onafhankelijker, ongeregelder en vooral veel minder benepen.

Daarmee nemen we onszelf uiteindelijk een stuk meer serieus.

Samen zitten in Driebergen-Zeist

Afgelopen Pasen verbleef ik vier dagen in de nabijheid van Tulku Lobsang Rinpoche. Deze Tibetaanse Boeddhistische leraar, reïncarnatie van de 8e Nyentse Lama, was naar Landgoed de Horst in Driebergen-Zeist gekomen om ons in de leer van de Boeddha te onderwijzen en ik was echt onder de indruk. Ik ken slimme, sprankelende, enorm inspirerende, buitengewoon intelligente mensen, maar iemand die zo veel eeuwenoude wijsheid in zich draagt en daar zo luchtigjes mee omgaat, was ik nog niet eerder in levende lijve tegengekomen.

Tulku Lobsang is een jonge veertiger, stralend, bedachtzaam, vol humor en wars van overbodige regels. Lobsang is een alom geliefd leraar en na vier dagen intensief onderricht begrijp ik waarom. Uren en uren zaten wij op onze mat naar hem te luisteren. De geest waaide als nooit tevoren.

Af en toe de geest flink laten doorwaaien is gezond. Om niet te zeggen hoogst noodzakelijk. Ik was naar Driebergen afgereisd om wat louterende afstand te nemen. Matje mee. Sixpack bier in de tas. Trailrunschoenen. Alsof het zo moest zijn kreeg ik de Shakespeare kamer. Gijs Scholten van Aschat hangt er meer dan levensgroot aan de muur, met een foto uit de voorstelling Richard III. Zijn boek Beretta Bobcat ligt er tussen Shakespeares verzameld werk.

De foto van Gijs Scholten van Aschat herinnerde mij er aan waarom ik dit werk doe; Wie vermoordde Mary Rodgers was zo’n beetje de eerste voorstelling die ik als jonge directie-assistent van de Groninger Stadschouwburg zag en Gijs in de rol van schrijver Edgar Allan Poe maakte destijds grote indruk op me.

Bovendien heb ik goede herinneringen aan de Horst, het landgoed van trainingscentrum De Baak. We organiseerden er in 2006 en 2007 festival Nieuwe Grond, waar indertijd veel mensen die wat voor mij betekenen hun opwachting maakten. Zoals de door mij zeer gekoesterde kunstenares Moniek Toebosch, die er een bevlogen activistisch betoog hield, geplaagd door een zorgwekkend hoestje. Niet veel later bleek Moniek ziek te zijn. Desondanks bleef ze ook in de jaren die volgden een stralend licht. Ze overleed in 2012.

Op vrijwel dezelfde plek sprak dus nu Tulku Lobsang. De Boeddhistische meester die net als Moniek Toebosch niet van regels houdt. ‘Wetten vernietigen onze waarden’, zei Lobsang tijdens een van de 19 teachings die hij in Driebergen gaf. Steeds meer geld wordt besteed aan regelgeving en handhaving. En dat terwijl we heel goed weten wat goed voor onszelf is. Gelardeerd met humoristische observaties (‘Nederland is een groot Chinees winkelcentrum’) bepleit Tulku Lobsang Rinpoche vrijheid en ruimte. Kleur. En plezier.

Natuurlijk moest ik aan mijn werk denken.

Gisteren sprak ik een collega. Ik vroeg hoe het met hem ging. En met de culturele instelling waarvoor hij werkt. ‘Goed’, zei hij, ‘maar we moeten hoognodig weer eens wat meer plezier maken. Het plezier moet terug’. De dag ervoor sprak ik een directeur uit het zuiden van het land. Ook hij hunkerde naar meer ongecompliceerde vrolijkheid. Ontspanning. Minder regels en verplichtingen. Cultuurbeleid gebaseerd op vertrouwen, in plaats van wantrouwen.

Tijd om eens samen te zitten in Driebergen. Het sixpack bier zit alvast in mijn tas.

Tulku Lobsang

 

Fair practice

Vandaag leerde ik over de Favored Nations clausule. Het is een clausule in een contract die bepaalt dat wanneer de ene acteur er in een productie financieel op vooruit gaat, dat automatisch ook moet gelden voor alle andere betrokken acteurs. Wat overigens niet wil zeggen dat iedereen evenveel betaalt krijgt, want leeftijd en ervaring tellen bij de inschaling mee, maar toch… Fair deal, lijkt me. Zouden ze bij de banken ook moeten doen. Is het snel gedaan met de bonussen.

Maar goed.

Fair practice. Dat is echt een knap lastig puntje in ons vak. Als afnemer van theaterproducties heb ik er belang bij dat de kosten zo laag mogelijk zijn en mijn opdrachtgever zo weinig mogelijk risico loopt; als aanbieder van mijn eigen diensten wil ik zelf liever niet onder een redelijk tarief werken…

Zo heb ik er alle begrip voor wanneer iemand een grens trekt en zegt: daar doe ik het niet voor beste vriend, ook al valt het hele leuke plannetje daarmee in duigen.

Zelf heb ik twee jaren geleden nog een subsidie teruggegeven omdat het uiteindelijk toegekende bedrag veel te laag was om het plan daadwerkelijk te kunnen realiseren en ik geen zin had om een beroep te doen op de goedhartigheid van onderbetaalde freelancers.

Een terechte keuze vind ik nog steeds en tegelijkertijd voelde het vrij tegennatuurlijk: geld teruggeven. Het werd me bovendien niet in dank afgenomen.

Toch zouden we vaker grenzen moeten trekken. Gezamenlijk een minimumtarief voor freelancers moeten afspreken bijvoorbeeld. Maar ja, wie houdt zich daar aan als puntje bij paaltje komt? Als je het werk hard nodig hebt? Als het werk een beetje een goede zaak dient, draaf ik zelfs regelmatig gratis op.

Alleen onbetaald brainstormen doe ik niet meer. Daarvoor heb ik mijn ideeën iets te vaak in enigszins bijgestelde vorm terug zien komen zonder dat ik er een cent voor heb gekregen. Niet dat ik zelf geen ideeën jat trouwens. Ik vergeet alleen altijd van wie. (‘Oh? Ik dacht dat ik dat zelf was’).

In ieder geval ben ik er mee gestopt om collega-freelancers niet meer te betalen voor brainstormsessies. ‘Vroeger’, toen er meer vaste banen waren en men elkaar in de baas (m/v) zijn tijd nog wel eens wilde adviseren was dat redelijk normaal. Nu kan dat echt niet meer.

Hoe we verder omgaan met het verschil tussen freelancers en de mazzelaars die nog wel een vast contract hebben is een andere interessante vraag. Want laten we wel zijn: ook in culturele sector werken mensen die leuk verdienen. En dan nog: is dat erg? Of zijn het vooral de grote onderlinge verschillen waar het pijn doet? Mijn collega Anoek Nuyens stelde onlangs voor om die discussie op radicale wijze met elkaar aan te gaan en een keiharde expositie van loonstrookjes en salarisspecificaties te organiseren tijdens het Nederlands Theater Festival in september.

Dat zal me een klapper worden. Over elkaars salaris praten is in ons land wel zo’n beetje het allergrootste taboe denkbaar. Nederlanders delen nog liever het volledige verslag van hun therapiesessies dan de inhoud van hun salarisstrookje.

Ik kan me alvast wat prikkelende vragen voorstellen als het om Fair Practice gaat. Bijvoorbeeld: is het onredelijk om van een 67 plusser met een goed pensioen te verwachten dat hij of zijn geen betaald werk meer verricht? Of: is het raar om van een zwaar betaalde directeur in de culturele sector met een jaarsalaris boven de zeg, 100.000 euro te vragen om 10 procent van zijn of haar taken (en honorarium) af te staan, zodat een freelancer er weer een klus bij heeft? En: mogen we van de nieuwe generatie aan de top eisen dat zij met minder salaris genoegen nemen dan de gepensioneerde babyboomer die zij hebben opgevolgd? Of gaan we er gevoeglijk van uit dat ze zelf al op dat idee gekomen waren? Tuurlijk! Idealisme regeert, toch? En ook: moeten we niet net als de Amerikaanse president de zittingstermijn van directies beperken tot twee keer vier jaar, om zodoende de doorstroming in ons vak eindelijk een beetje te bevorderen? Van die dingen dus.

Dat zal me een heerlijk verhit debat opleveren. Als er al iemand komt opdagen natuurlijk. Nou ja, ik ben er. En Anoek hoop ik. Ik braaf met een kopie van mijn jaaraangifte 2016 in de hand en zij met haar radicale ‘The future is female’ t-shirt aan. Ik kan niet wachten.

Leeg de kan

Met sommige mensen is het snel schakelen. Je hebt een idee, de ander vult je halverwege je zin aan, je bent akkoord, hangt op en gaat aan de slag. Zulke gesprekken heb ik opvallend genoeg vooral met stand-up comedians, bedenk ik mij nu. Misschien schakelen comedians snel. Dat is tenslotte hun vak. Of ze hebben gewoon geen zin om lang met mij aan de telefoon te hangen. Dat kan ook.

Ik hou erg van dat soort drie minuten gesprekken. Het gaat tenslotte om Het Idee. Een idee is goed, of niet. Of je daar nu lang of kort over praat.

In Robert Altman’s film The Player uit 1992 hebben scenarioschrijvers vier zinnen om hun plot aan de filmbazen uit te leggen. Vier zinnen om de geldschieters er van te overtuigen dat dit verhaal een film moet worden. Dan weten de filmbazen genoeg.

In de theatersector werkt het eigenlijk niet anders. ‘Een te gek concept doet alles’, zegt collega Pien van Gemert van het Nationale Theater op LinkedIn over The Nation van regisseur Eric de Vroedt. ‘Een soort Netflix in het theater, opgeknipt in korte afleveringen. Uitmondend in een marathon-voorstelling’. Bij de generale was nog nooit zo veel nieuw publiek geweest.

Maar pas op: er zijn twee valkuilen als het om ideeën gaat. ‘Een goed idee verkoopt zichzelf’, is een veel gehoord cliché. Dat is onzin. Je kunt nog zo veel leuke ideeën hebben, maar als niemand ze kent, ben je nog geen stap verder. Communicatie is key.

Ideeën komen bovendien niet vanzelf is mijn ervaring. Ze komen pas als er ruimte voor in je hoofd is. Een te volle agenda, zorgen, hectiek, lange vergaderingen, congressen, beleidsplannen schrijven: mij helpen ze niet om tot goede ideeën te komen. Leegte wel. Het is net als bij een volle kan water. Er is geen ruimte meer om er ook maar een druppel bij te doen.

Leeg de kan en hij vult zich met nieuwe plannen.

 

Rebel of revolutionair?

Soms kom ik in mijn archief brieven tegen waarvan ik de echte waarde pas jaren later begrijp. Zo vond ik vanmorgen een brief terug van de Nederlandse filosoof en hoogleraar Lolle Nauta, geboren in 1929 te Sneek, overleden in Groningen op 11 september 2006. Hij schreef mij in 1986 een kort, getypt briefje naar aanleiding van mijn optreden als puberende punkdichter met begeleiding van een stuiterende band.

‘Jullie optreden was voor mij het hoogtepunt en dat wil ik je schrijven’, zegt Nauta in de brief, ‘omdat je tegen een muur van onbegrip praatte, schreeuwde. Veel mensen die permanent buigen en dus ook permanent onderdrukt worden (alias onderdrukken) en die dus met gemak de druk van je gedichten konden weerstaan’.

En dus?, vroeg ik mij dertig jaar geleden, ofschoon ik oprecht blij was met de brief, toch enigszins vertwijfeld af. Wat doe ik nu? Dichten doe ik inmiddels al lang niet meer. Maar gisteren las ik over het verschil tussen een rebel en een revolutionair. Een revolutionair strijdt tegen het oude en probeert het bestaande regime omver te werpen. Om vervolgens niet zelden zelf de onderdrukker te worden.

Een rebel verliest geen onnodige energie aan een zinloze strijd. Een rebel doet het gewoon anders.

Dat is wat Lolle Nauta mij destijds ook wilde vertellen, denk ik. Want luidruchtig protest is gemakkelijk te weerstaan, weet ik nu. Echte verandering komt uiteindelijk van mensen die zich niets van anderen aantrekken en blijmoedig hun eigen bevlogen gang gaan.

266px-Lolle-nauta-1332768229

The Family en ‘je plicht om uit de pas te lopen’ volgens Lodewijk de Boer

Vanavond gaat in Utrecht The Family in première; het eerste deel van een vierluik geregisseerd door Casper Vandeputte bij Theater Utrecht. Het ooit geruchtmakende theaterstuk van Lodewijk de Boer uit 1972 maakt opnieuw een veelbelovende remake mee.

In 1989 werd The Family in Duitsland hernomen. Ik sprak Lodewijk de Boer destijds in zijn mysterieuze werkkamer in de binnenstad van Amsterdam, omgeven door wandschilderingen, antieke meubels, Boeddhabeelden en een menselijke schedel op het ruwhouten bureaublad.

Hij had zo zijn eigen gedachten over de herneming: ‘Ze hebben me gevraagd om in Duitsland nog eens The Family te regisseren. Dat doe ik dus niet. The Family was geënt op de woede van die tijd. Het was bijna een politieke aangelegenheid, daarom heeft het ook zo overdreven veel aandacht gehad. Het is heel merkwaardig dat ze het nu weer gaan spelen. Misschien heeft het als klassieker wel weer waarde, als tijdsdocument’.

Tijdsdocument of niet, ook de nieuwste versie van Theater Utrecht komt tot een onontkoombare ‘schokkende apotheose’. ‘Onze samenleving is doordrenkt van geweld’, zei de Boer in ’89. ‘Amsterdam barst uit zijn voegen van het geweld en dan niet alleen het fysieke geweld. Als je de methodes ziet om huizen te bouwen. Het is huiveringwekkend om te zien hoe ze hier binnen een paar maanden een gebouw in elkaar persen. Of het akoestische geweld in de Kalverstraat. De meest achterlijke muziek knalt je uit de winkels tegemoet’.

‘Het valt me op dat hetgeen waar iedereen zo fel op tegen is desondanks steeds meer toeneemt. Bijvoorbeeld de zelfverrijking ten koste van de natuur; de ontwikkeling die altijd gepaard gaat met verwoesting’.

Bezit

‘Zelf huur ik een huis van mijn broer. Ik rijd in een jarenoude Japanner. Ik heb iets tegen bezit. Ik zou nooit een huis willen bezitten of zoiets. Onze drang tot bezit leidt tot oorlog. En uiteindelijk tot niets. (…) Vooruitgang is altijd bij tegendraadse mensen te vinden. Ik heb niets aan een vriend in grijs pak die bij de Rijksverzekeringsbank werkt. Het is je plicht om uit de pas te lopen’.

‘Aan de andere kant dachten we allemaal dat de revolutie bij de studenten zou beginnen, tot we begrepen dat een student ook gewoon een goede baan wil. Zo is er een generatie boven mij die dacht dat alles anders zou worden. Er is altijd die afwisseling van hoop, teleurstelling en weer hoop. Maar nooit hoop en dan he he, we zijn er. Ik wil proberen dat mechanische te bevatten, waarom hoop altijd wanhoop wordt. De mens wil zo graag goed zijn maar heeft het talent daar blijkbaar niet voor. Niet dat ik dit toen al zo voelde maar er hing vast iets in de lucht. De verfilming van The Family (1973 JM) eindigde namelijk met het opdraven van een legermacht. Dat vond men toen ongelofelijk grof en onvoorstelbaar. Een paar jaren later werd de Mobiele Eenheid opgericht. Maar als iemand me had gevraagd of het zo zou worden had ik gezegd: nee, ik denk het niet, ik hoop het niet tenminste’.

boerlodewijkde1937

 

Meesterschap

Momenteel ben ik 48. Tegenwoordig is dat zo’n beetje halverwege je carrière. Een interessante middenpositie. Onder mij de aanstormende generatie, boven mij de stilaan vertrekkende babyboomer. Sommige babyboomers, zoals mijn eigen vader op zijn 63e, gaan juichend en vol overtuiging met pensioen en vinden het leven vervolgens verrukkelijk. Anderen vinden het beduidend lastiger, vallen in een gat en weten niet goed om te gaan met de nieuw verworven vrijheid. Tegelijkertijd worstelt een nieuwe generatie met altijd weer dezelfde terugkerende vraagstukken en wordt het wiel steeds opnieuw uitgevonden.

De oudere generatie ziet dat met lede ogen aan; de nieuwe generatie doet het, het liefste wel zelf. Toch is dat jammer. Er gaat op die manier namelijk waardevolle kennis verloren. Frictie ontstaat naar mijn idee vooral doordat mensen die het vak verlaten soms nog altijd bepalend willen zijn. Daardoor is de nieuwe generatie op haar hoede. Terwijl het ware meesterschap zich kenmerkt door een open, geduldige en ondersteunende houding. Ik ken mensen die die eigenschap hebben en het is prachtig. Ritsaert ten Cate had die rol en zijn advies was dan ook veel gevraagd. Kunstenaars uit binnen- en buitenland beschouwden hem als hun mentor. Een leraar hebben kan een grote verrijking zijn. Meestal ontstaat die ‘meester-gezel’ relatie organisch. Veel van mijn collega’s spreken desgevraagd met enthousiasme over hun leermeesters, maar de natuurlijke overdracht van kennis is niet zondermeer vanzelfsprekend.

Iemand schreef me bezorgd over ‘het geheugen van de sector’, de kennis en ervaring die verloren dreigt te gaan omdat we te weinig luisteren naar de oudere generatie acteurs, regisseurs en andere professionals en ook… publiek. Gelukkig zijn er initiatieven als de Werkgroep NIT en de Nieuwe Toneelbibliotheek die dat tij proberen te keren. Ook tijdens het Nederlands Theater Festival 2017 gaan we werken aan de totstandkoming van een live archief.

Zelf ben ik voor een ‘Culturele kennisbank’. Een online platform waar je in contact kunt komen met inspirerende mentoren, voor coaching, masterclasses en advies. In het geval van goed pensioen natuurlijk tegen onkostenvergoeding (fair practice) en anders tegen redelijke betaling. Onder voorwaarde dat de geleerde lessen ook weer online gedeeld worden. Zo zetten we meesterschap effectief in voor onze eigen ontwikkeling en die van onze sector.

 

Handboek voor machthebbers

trumpfarage222

Is Donald Trump werkelijk zo onvoorspelbaar als we denken? Vooralsnog houdt hij zich keurig aan De 48 Wetten van de Macht, beschreven in het boek van Robert Greene uit 1998. Alsof hij het op zijn nachtkastje heeft liggen. Zou het zo plat kunnen zijn? Mij zou het niet verbazen:

Wet 2. Vertrouw niet te veel op uw vrienden, gebruik uw vijanden. Als u geen vijanden hebt, zorg er dan voor dat u ze krijgt.

Wet 3. Houd uw ware bedoelingen strikt geheim. Zet iedereen voortdurend op het verkeerde been.

Wet 5. Verdedig uw reputatie. Leer uw vijanden te verslaan door bressen te slaan in hun eigen reputatie.

Wet 6. Vestig ten koste van alles de aandacht op uzelf. Het is beter belasterd te worden dan te worden verzwegen.

Wet 7. Winnen doet u met daden, nooit met woorden. Laat zien, leg niet uit.

Wet 16. Dwing meer respect af door er niet te zijn.

Wet 17. Houd anderen in spanning: creëer een sfeer van onvoorspelbaarheid. Gedrag dat onsamenhangend of zinloos lijkt, zet anderen op het verkeerde been. Ze zullen zich in alle bochten wringen om te proberen uw daden te verklaren.

Wet 21. Sukkels vangt u met sukkels: doe u dommer voor dan uw doelwit.

Wet 25. Herschep uzelf. Wees de baas van uw eigen imago. Neem theatrale kneepjes op in uw arsenaal van gebaren.

Wet 28. Treed doortastend op. Aarzeling is levensgevaarlijk.

Wet 30. Wek de indruk dat alles u moeiteloos afgaat.

Wet 32. Bespeel de fantasie van de ander. Doe nooit een beroep op waarheid en realiteit.

Wet 36. Minacht wat u niet kunt krijgen: negeer het, dat is de beste wraak.

Wet 37. Zet een fascinerend spektakel op touw. Met grote spektakelstukken vergroot u uw uitstraling.

Wet 42. Treed niet in de voetsporen van een illustere voorganger. Bezoedel zijn nalatenschap.

(Uit: The 48 Laws of Power, Robert Greene, 1998).

 

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑