Ruimte

In de discussies over herziening van het subsidiebestel rond de culturele sector die her en der worden gevoerd duiken een paar begrippen steeds weer op: ‘impact’, ‘diversiteit’, ‘centralisatie’ of juist ‘decentralisatie’, ‘fair practice’, ‘vereenvoudiging’, maar ook ‘vertrouwen’, ‘tijd’ en ‘ruimte’.

Ruimte is een interessant concept. Je kunt er veel mee.
Geef een object de ruimte en het komt meer tot zijn recht.
Geef een mens de ruimte en hij komt tot bloei.
Zelfs een woord leest anders als je het ruimte geeft.

 

Ruimte

 

Het werkt ook andersom:
Zit je partner op de nek en hij of zij maakt dat ie wegkomt.
Zit de kunst op haar nek en ze verliest alles wat haar zo aantrekkelijk maakt.

Ruimte is een revolutionair concept. En niet duur. Je hoeft het de ander alleen maar te gunnen. Het doet het bovendien heel goed voor leidinggevenden.

Een wondermiddel, kortom.

Advertenties

Binge-watchen op de Edinburgh Festival Fringe

De Edinburgh Festival Fringe mag met haar 70 jaar inmiddels met recht de grootmoeder aller festivals genoemd worden. Na een aantal jaren niet te zijn geweest, heeft het immense evenement sinds vorig jaar opnieuw mijn hart gestolen. Je kunt er naar hartenlust binge-watchen: ik doe er zelf toch al gauw zes voorstellingen per dag. Op de Fringe kan dat: de voorstellingen duren er vaak niet meer dan een uur en zijn bovendien heel betaalbaar. Bij mijn recente bezoek betaalde ik 11 euro voor de goedkoopste tickets en slechts 22 voor de duurste. Daar komen nog het straattheater op de Royal Mile en de gratis voorstellingen bij.

Het merendeel van het aanbod is comedy, maar dan nog zijn er dagelijks honderden voorstellingen uit andere genres te zien; van new circus tot spoken word, van teksttheater tot dans, van lezingen tot meditatielessen en alle denkbare mengvormen daartussenin.

Wie geïnteresseerd is in nieuwe ontwikkelingen vindt op de Fringe alles wat hij weten wil. Mij vielen dit jaar een paar bemoedigende dingen op. Diversiteit viert hoogtij op de podia. Multiculturele casts zijn van oudsher al kenmerkend voor het circus dat veelvuldig in vernieuwende vormen op het festival te vinden is, maar ook binnen andere disciplines valt op hoe verschillende culturen op een volstrekt vanzelfsprekende manier met elkaar op het podium staan. Ook de LGTB community is ruimschoots op het festival vertegenwoordigd, waarbij You’ve Changed van Kate O’Donnell en Sisters Grimm met Lilith: The Jungle Girl indruk op me maakten.

Opnieuw vond ik het opvallend hoezeer de grens tussen amateur en professional ook in de theaterwereld vervaagt: de autodidacten zijn duidelijk in opkomst, een ontwikkeling die we ook op het Amsterdam Fringe Festival zien. Net zoals televisie onder invloed van particuliere internetzenders democratiseert, zijn de theaterpodia allang niet meer exclusief het domein van geschoolde artiesten. De Edinburgh Fringe is een vrije markt voor iedereen met en met minder talent. Schaamteloos selfie-theater van de solist staat er naast de grootschalige amateur-musical met soms verbazingwekkende potentie.

Maar misschien nog wel het meest positief vind ik het feit dat de Edinburgh Festival Fringe er voor iedereen is. Hele families, inclusief opa’s en oma’s, vriendenclubs, stelletjes en vrienden uit alle lagen van de bevolking maken er een maand lang hun feestje van. Ik hou van theaterbezoekers die zich bijna kinderlijk verheugen op wat er komen gaat. Als er twee ‘gangsters’ binnenkomen bij Cirque Eloize slaat de man achter me, mij vol enthousiasme op de schouder: ‘Did you bring your gun?’.

FESTIVAL 1) Bijeenkomst 2) Cultureel feest 3) Evenement 4) Feest 5) Feest voor het volk 6) Filmfestival 7) Frans muziekfeest 8) Groot feest 9) Groot muziekfeest 10) Groot volksfeest 11) Muziek gebeuren 12) Muziekbijeenkomst 13) Muziekfeest 14) Muziekgebeuren 15) Theatermanifestatie 16) Volksfeest 17) Zangersfeest

 

lilith2
Sisters Grimm: Lilith, The Jungle Girl

 

 

 

Les Galas: groter, grootser, grootst?

Hoewel ik me afvraag of schaalvergroting altijd een even goed idee is voor de culturele sector, is intensieve samenwerking op het gebied van Productie en Presentatie wat mij betreft een absolute must. Het valt daarom toe te juichen dat de Vereniging Vrije Theater Producenten (VVTP),  De Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) en Nederlandse Associatie voor Podiumkunsten (NAPK) werken aan een fusie die binnen afzienbare termijn effectief moet worden.

Met de fusiebesprekingen gaan er opnieuw stemmen op om te komen tot één groot Podiumkunstengala, waar alle belangrijke podiumkunstenprijzen op het gebied van theater, dans, musical, muziek en cabaret op één avond worden uitgereikt. Live op de nationale televisie natuurlijk; ondanks het internettijdperk voor velen nog altijd de heilige graal.

Het is beslist niet de eerste keer dat die discussie wordt gevoerd. Vanuit de musicalwereld werd deze zo’n acht jaren geleden al eens opgestart (en weer gestopt), een televisieproducent deed er uitgebreid onderzoek naar, Cornald Maas en toenmalig toneeljury-voorzitter Boris van der Ham riepen er in een gezamenlijk pleidooi toe op en een gewezen theatermarketeer schreef zelfs een gedetailleerd plan voor een massaal Podiumkunstengala in de Amsterdamse RAI.

Tot nu toe is het er dus niet van gekomen. Dat ligt niet alleen aan het gebrek aan middelen. Een dergelijk feestje kost toch al gauw een paar ton euro. Maar zelfs als die tonnen gevonden zouden worden, dan nog…. Lang niet iedereen gelooft dat het in het belang van de verschillende disciplines is om ze samen op één hoop te presenteren. Het is nu immers al lastig genoeg om media aandacht te krijgen voor de verschillende prijzen. Laat staan dat je er tientallen achter elkaar uitreikt. Van de twaalf theaterprijzen uitgereikt op het Gala van het Nederlands Theater halen momenteel vooral de Louis d’Or en Theo d’Or de voorpagina’s. De angst dat deze prestigieuze prijzen met hun enorme traditie eenmaal uitgereikt op een groots prijzengala naar pagina 13 van het cultuurbulletin verhuizen komt niet helemaal uit de lucht vallen.

Daarbij: levert het uitreiken van al die Awards uiteindelijk boeiende televisie op? En… wat doen we dan met de ‘grote’ en ‘kleine’ prijzen? Komt er eerst een uitreiking van kleinere prijzen en gaan we pas ‘live’ als de grotere prijzen aan de beurt zijn, net zoals dat op andere televisiegala’s het geval is? En wie bepaalt dat onderscheid dan?

Het Gala van het Nederlands Theater is waarschijnlijk het goedkoopst geproduceerde Gala van West-Europa maar heeft inmiddels een onweerstaanbare charme omdat de acteurs het Gala naar zich toe hebben getrokken, van lieverlee hun eigen entreekaarten betalen en er belangeloos en met bravoure aan meewerken en een bevlogen theaterregisseur samen met zijn tekstschrijvers de eigen sector onbekommerd becommentarieert. Daardoor heeft het theatergala een tegendraads, licht anarchistisch karakter waarbinnen eigen tradities als het In Memoriam zorgvuldig worden gekoesterd. Die charme is mogelijk verdwenen zodra de televisiecamera’s draaien. Of is dit een typisch gevalletje koudwatervrees?

Bonte avond

Het blijft hoe dan ook een uitdaging om zo’n gedroomde bonte avond vol Dans, Cabaret, Musical, Muziek en Theater Awards op een interessante en onderhoudende manier vorm te geven. Los nog van de belangen die alle betrokkenen ongetwijfeld zullen verdedigen, is het wat mij betreft ook nog maar eens de vraag of het klassieke gala met rode lopers, knallende kurken en knellende smokings niet haar langste tijd heeft gehad. Op Amerikaanse leest gestoelde glamour is uit, wat mij betreft. Europese glamour; daar ben ik helemaal voor.

Toch valt ambitie en de wil tot samenwerken toe te juichen. Samenwerking is op het moment het enige dat de culturele sector daadwerkelijk naar een hoger plan kan tillen.

Er is daarom nog een ander model denkbaar, dat bestaande gala-budgeten slim samenvoegt tot een spektakel met nationale uitstraling. Want als je toch uit wilt pakken, toon dan echt wat lef en zet op de laatste dag van het Nederlands Theater Festival het gehele Leidseplein af, maak er één grote openbare feestruimte van en organiseer alle Gala’s tegelijkertijd. Twee in DelaMar, twee in de Stadschouwburg en een in Paradiso. Schakel live tussen de zalen en eindig de avond met vuurwerk, son et lumiere en Fucque les Balles-achtige feesten waar al die gescheiden disciplines buitelend over elkaar heen vallen. Daar zullen de uitreikingen van de Laurence Olivier Awards en Tony Awards bleek bij afsteken. En hebben de Nederlandse talkshows geen enkel excuus meer om niet aanwezig te zijn. Sterker nog: het inrichten van een perscentrum lijkt me dan noodzakelijk.

Toch lever je met een dergelijke opzet op z’n minst 5 of 6 culturele nieuwsmomenten per jaar in. Het blijft de vraag of je dat er voor over hebt en met welke opzet je uiteindelijk het meeste publiek bereikt. Klein, gespecialiseerd en charmant, of weelderig en spectaculair.

Voor wie zich nu zorgen maakt, zich verheugt of zich bij voorbaat al opwindt: het zal zo’n vaart niet lopen. Maar het blijft goed om er regelmatig over na te denken.

gala.jpg

 

Galopperen met de theater industrie

‘Een paard in z’n eentje is altijd de snelste’, luidt een Tibetaans gezegde. Het is daarom wijs om af en toe uit je comfortzone te komen en te leren van anderen. Ik leer graag van mensen uit andere sectoren, zeker als de ontmoeting op een gelijkwaardig niveau plaats vindt en er sprake is van echte, meer diepgaande uitwisseling van ervaring en ideeën.

Soms spreek ik kennissen uit het bedrijfsleven die in een ochtend meer verdienen dan ik in een maand. Zij schrikken van de tarieven waartegen in de kunstensector gewerkt wordt. ‘Met zulke tarieven neemt niemand je serieus’, is dan de eerlijke reactie. De waarde van ons product wordt regelmatig veel te laag ingeschat, vermoeden zij. Er is in de huidige maatschappij en dus ook in het bedrijfsleven, namelijk een grote behoefte aan nieuwe ideeën en creativiteit.

Toch weten bedrijfsleven en de culturele sector elkaar nog veel te weinig te vinden. Misschien omdat de culturele sector te veel wordt gezien als vrager en niet als aanbieder. Of zich te zeer als zodanig opstelt.

Als het bedrijfsleven en de creatieve sector van elkaar willen leren, en ik geloof werkelijk dat dat buitengewoon zinvol kan zijn, moeten we elkaar vinden op thema’s. Hetzij op thema’s die een groter maatschappelijk belang dienen als klimaatverandering, kansen voor jongeren en vergrijzing, hetzij op onderwerpen die voor alle partijen een win-win situatie kunnen opleveren, als leegstand van winkelpanden en herontwikkeling van krimpregio’s.

Of we vinden elkaar op een persoonlijk niveau. Als potentiele vrienden. Want uiteindelijk gaat samenwerking over affiniteit. Affiniteit ontstaat wanneer we elkaar leren kennen in een open, gelijkwaardig gesprek zonder verwachtingen en vooroordelen.

Het is een uitdaging om dat gesprek in gang te zetten. In onze kunstenplanaanvraag nam ik daar alvast een voorschot op: het woord ‘theater sector’ heb ik consequent vervangen door ‘theater industrie’. Dat klinkt in ieder geval alsof er een prijskaartje aan hangt.

Een goed begin, zouden mijn kennissen zeggen.

Foto uit War Horse on Stage

De Boeddha op het waterbed

In de dertig jaren die ik nu werkzaam in de culturele sector ben, word ik mij van één ding steeds meer bewust: we liggen op een waterbed. In dat waterbed zit een bepaald volume aan geld. Het wordt niet meer en als het goed is ook niet minder. Een paar jaren terug kwam er, dankzij de stilettohakken van Halbe Zijlstra, een groot gat in dat waterbed. Er stroomde 200 miljoen liter uit; er kwam met Jet Bussemaker weer 10 miljoen liter bij. Sindsdien ligt het waterbed een stuk minder comfortabel. Je ligt er in als een lamgeslagen bokser. Maar toch. Een waterbed blijft het. Als je op de ene zijde drukt, komt de andere zijde omhoog. Dat is het wel zo’n beetje.

Soms komt er hier een beetje bij en gaat er daar wat af. De ene periode zijn de productiehuizen in zwang en dan opeens weer niet. Of festivals zijn trending. Maar plotseling niet meer. Dan is het een tijdje een en al talentontwikkeling dat de klok slaat. Soms zomaar culturele diversiteit. Of kunst in de wijken. Kunst met maatschappelijke impact. Amateurkunst.

Of het nu om instellingen, beleidskeuzes, fondsen of personen gaat: we hechten vaak meer aan trends dan aan continuïteit. Dat geldt evenzogoed voor de sector zelf. Of zoals Ritsaert ten Cate het eens verwoordde: ‘Soms ben je een paar jaar een held. Vervolgens ben je een paar jaren helemaal uit. En dan toch opeens weer een held. Het zegt uiteindelijk niets’.

Maar waar je ook drukt: het blijft een waterbed. Meer geld komt er nooit bij. Hoe hoog de VVD ook opgeeft over hun geefwet. Hoeveel dure sponsoradviseurs er ook worden ingehuurd.

Ondertussen blijft een groot deel van de culturele sector zwemmen in een oceaan van samsara zoals de Boeddha dat noemt; een vicieuze cirkel van gedoe, overgeleverd als men lijkt aan krachten buiten zichzelf.

Dat spartelen en ploeteren in die oceaan, of om in Boeddhistische termen te blijven spreken, dat lijden van de kunstensector wordt naar mijn idee voornamelijk veroorzaakt door twee dingen: afhankelijkheid van anderen en een ongezonde neiging tot voortdurende groei.

We maken onszelf gek met de gedachte dat er iets onmogelijks bereikt kan worden. Soms voel ik me als de beroemde ezel die de beruchte wortel probeert te vangen. Immers: de museumsector is het toch ook gelukt om van de wortel te eten? De dance industrie zet toch ook meer dan 7 miljard om? Waarom lukt mij dat niet? Wat een zelfkwelling.

donkey

Want zulke vergelijkingen gaan vreselijk mank. De Sociaal Economische Raad (SER) en de Raad voor Cultuur (RvC) luidden afgelopen week niet voor niets de noodklok: de positie van werkenden in de culturele sector is zo zorgwekkend dat een deel van de creatieve sector ‘dreigt af te sterven’. Toch blijven ook de SER en de RvC hardnekkig hameren op groei: de raden vinden het noodzakelijk dat de creatieve sector nieuwe afzetmarkten vindt en daarmee haar inkomsten vergroot. Dat is echter de snelweg naar een totale burn-out.

Allereerst: verbinding zoeken met andere sectoren is beslist een kans maar onze obsessie met groei moet stoppen. Dat zou sowieso beter zijn voor de hele planeet. Wat een lucht zou het geven wanneer wij, culturele raden, fondsen, subsidiegevers en beleidsmakers die ziekmakende hang naar groei los zouden laten en genoegen zouden nemen met minder. Of minder? Nee, met een normale situatie. Prestatie naar loon. De tering naar de nering. Doen waarvoor men betaalt krijgt. En voortaan nog maar een heel klein beetje meer. Zou het loslaten van ons idee van groei niet al een revolutionaire ommekeer betekenen in de wijze waarop wij werken?

Die ezel met die wortel zit bovendien vastgeketend aan een loden bal, waardoor hij zich niet vrij kan bewegen. Dat maakt hem onrustig, moe en gefrustreerd. Hij moet te veel en mag te weinig. De voortdurende zoektocht naar geld, de afhankelijkheid van het oordeel van de gever, de niet aflatende prestatiedruk: het hangt als lood aan zijn poten.

Kleinschaligheid

Daarom geef ik auteur en columnist Ilja Leonard Pfeijfer alsnog gelijk. In november 2013 schreef hij in NRC Next: ‘De uitgeverijen moeten terug naar het oude model van kleinschaligheid en continuïteit. (…..) Het is een business model dat voor de hele culturele sector zou moeten gelden. Het hoofddoel is om mooie dingen te maken om genoeg geld bij elkaar te krijgen om dat volgend jaar weer te doen. Het doel is niet om rijk te worden’.

Vervolgens stelde Pfeijfer: ‘Ook buiten de culturele sector zou het heilzaam zijn continuïteit boven winstbejag te stellen. De meeste winkeltjes in Italië werken zo. Je verkoopt spulletjes en na aftrek van de kosten kun je ervan eten, drinken en leven. Wat is er mooier dan dat? Waarom zou je dan nog méér moeten willen?’.

Waar ik destijds in negatieve zin op aansloeg was zijn woordgebruik. ‘Rijk worden en winstbejag’ komen in de culturele sector immers niet veel voor. Maar kleinschaligheid is wel het antwoord op onze huidige afhankelijkheid. Waarom de hang naar meer en grootschaligheid? Hou het klein en compact. Bedenk kleine bedrijfjes. Organiseer je in gilden. Zorg allereerst voor een fatsoenlijk salaris voor jezelf en je mensen. Maar maak je minder afhankelijk van waar er op het waterbed wordt gedrukt. Klein maakt flexibel en een stuk minder kwetsbaar. Van daar uit kun je verder.

Soms zit ik keurig in mijn donkerblauwe pak de zoveelste vergadering over geld of een ronkende over-gesubsidieerde cursus sponsorwerving bij te wonen waarbij ik me steeds vaker afvraag: wat ben ik hier in vredesnaam aan het doen? Ik voel de geraniums uit mijn oren groeien in de tijd die ik met al die zinloze bijeenkomsten zit te verdoen. Er is sprake van een serieus energetisch lek, merk ik dan. De energie laadt pas weer op wanneer ik eindelijk weer eens gesprekken voer over de inhoud, met bevlogen, creatieve geesten die zich richten op wat er wel mogelijk is. Dat zouden we vaker moeten doen.

Momenteel ben ik daarom alle onnodige ballast aan het schrappen. Ik wil lichter reizen. Minder bagage. Traveling light. Geen onnodige overleggen meer, geen tijd meer besteden aan zaken die niets opleveren, geen verspilling meer van mensen, middelen en tijd, maar een basis neerzetten die eenvoudig maar solide is en daarboven vooral heel veel leuke ideeën bedenken en doen.

Van de culturele sector moet uiteindelijk een energie uitgaan die aanstekelijk en opbeurend is. Dat zijn we aan onze stand en toch ook aan onze gevers verplicht. We moeten daarom wat mij betreft dringend op zoek naar onze ware natuur en ruimte geven aan de bohemien in ons: onbezorgder, meer ontspannen, onconventioneler, onafhankelijker, ongeregelder en vooral veel minder benepen.

Daarmee nemen we onszelf uiteindelijk een stuk meer serieus.

Samen zitten in Driebergen-Zeist

Afgelopen Pasen verbleef ik vier dagen in de nabijheid van Tulku Lobsang Rinpoche. Deze Tibetaanse Boeddhistische leraar, reïncarnatie van de 8e Nyentse Lama, was naar Landgoed de Horst in Driebergen-Zeist gekomen om ons in de leer van de Boeddha te onderwijzen en ik was echt onder de indruk. Ik ken slimme, sprankelende, enorm inspirerende, buitengewoon intelligente mensen, maar iemand die zo veel eeuwenoude wijsheid in zich draagt en daar zo luchtigjes mee omgaat, was ik nog niet eerder in levende lijve tegengekomen.

Tulku Lobsang is een jonge veertiger, stralend, bedachtzaam, vol humor en wars van overbodige regels. Lobsang is een alom geliefd leraar en na vier dagen intensief onderricht begrijp ik waarom. Uren en uren zaten wij op onze mat naar hem te luisteren. De geest waaide als nooit tevoren.

Af en toe de geest flink laten doorwaaien is gezond. Om niet te zeggen hoogst noodzakelijk. Ik was naar Driebergen afgereisd om wat louterende afstand te nemen. Matje mee. Sixpack bier in de tas. Trailrunschoenen. Alsof het zo moest zijn kreeg ik de Shakespeare kamer. Gijs Scholten van Aschat hangt er meer dan levensgroot aan de muur, met een foto uit de voorstelling Richard III. Zijn boek Beretta Bobcat ligt er tussen Shakespeares verzameld werk.

De foto van Gijs Scholten van Aschat herinnerde mij er aan waarom ik dit werk doe; Wie vermoordde Mary Rodgers was zo’n beetje de eerste voorstelling die ik als jonge directie-assistent van de Groninger Stadschouwburg zag en Gijs in de rol van schrijver Edgar Allan Poe maakte destijds grote indruk op me.

Bovendien heb ik goede herinneringen aan de Horst, het landgoed van trainingscentrum De Baak. We organiseerden er in 2006 en 2007 festival Nieuwe Grond, waar indertijd veel mensen die wat voor mij betekenen hun opwachting maakten. Zoals de door mij zeer gekoesterde kunstenares Moniek Toebosch, die er een bevlogen activistisch betoog hield, geplaagd door een zorgwekkend hoestje. Niet veel later bleek Moniek ziek te zijn. Desondanks bleef ze ook in de jaren die volgden een stralend licht. Ze overleed in 2012.

Op vrijwel dezelfde plek sprak dus nu Tulku Lobsang. De Boeddhistische meester die net als Moniek Toebosch niet van regels houdt. ‘Wetten vernietigen onze waarden’, zei Lobsang tijdens een van de 19 teachings die hij in Driebergen gaf. Steeds meer geld wordt besteed aan regelgeving en handhaving. En dat terwijl we heel goed weten wat goed voor onszelf is. Gelardeerd met humoristische observaties (‘Nederland is een groot Chinees winkelcentrum’) bepleit Tulku Lobsang Rinpoche vrijheid en ruimte. Kleur. En plezier.

Natuurlijk moest ik aan mijn werk denken.

Gisteren sprak ik een collega. Ik vroeg hoe het met hem ging. En met de culturele instelling waarvoor hij werkt. ‘Goed’, zei hij, ‘maar we moeten hoognodig weer eens wat meer plezier maken. Het plezier moet terug’. De dag ervoor sprak ik een directeur uit het zuiden van het land. Ook hij hunkerde naar meer ongecompliceerde vrolijkheid. Ontspanning. Minder regels en verplichtingen. Cultuurbeleid gebaseerd op vertrouwen, in plaats van wantrouwen.

Tijd om eens samen te zitten in Driebergen. Het sixpack bier zit alvast in mijn tas.

Tulku Lobsang

 

Fair practice

Vandaag leerde ik over de Favored Nations clausule. Het is een clausule in een contract die bepaalt dat wanneer de ene acteur er in een productie financieel op vooruit gaat, dat automatisch ook moet gelden voor alle andere betrokken acteurs. Wat overigens niet wil zeggen dat iedereen evenveel betaalt krijgt, want leeftijd en ervaring tellen bij de inschaling mee, maar toch… Fair deal, lijkt me. Zouden ze bij de banken ook moeten doen. Is het snel gedaan met de bonussen.

Maar goed.

Fair practice. Dat is echt een knap lastig puntje in ons vak. Als afnemer van theaterproducties heb ik er belang bij dat de kosten zo laag mogelijk zijn en mijn opdrachtgever zo weinig mogelijk risico loopt; als aanbieder van mijn eigen diensten wil ik zelf liever niet onder een redelijk tarief werken…

Zo heb ik er alle begrip voor wanneer iemand een grens trekt en zegt: daar doe ik het niet voor beste vriend, ook al valt het hele leuke plannetje daarmee in duigen.

Zelf heb ik twee jaren geleden nog een subsidie teruggegeven omdat het uiteindelijk toegekende bedrag veel te laag was om het plan daadwerkelijk te kunnen realiseren en ik geen zin had om een beroep te doen op de goedhartigheid van onderbetaalde freelancers.

Een terechte keuze vind ik nog steeds en tegelijkertijd voelde het vrij tegennatuurlijk: geld teruggeven. Het werd me bovendien niet in dank afgenomen.

Toch zouden we vaker grenzen moeten trekken. Gezamenlijk een minimumtarief voor freelancers moeten afspreken bijvoorbeeld. Maar ja, wie houdt zich daar aan als puntje bij paaltje komt? Als je het werk hard nodig hebt? Als het werk een beetje een goede zaak dient, draaf ik zelfs regelmatig gratis op.

Alleen onbetaald brainstormen doe ik niet meer. Daarvoor heb ik mijn ideeën iets te vaak in enigszins bijgestelde vorm terug zien komen zonder dat ik er een cent voor heb gekregen. Niet dat ik zelf geen ideeën jat trouwens. Ik vergeet alleen altijd van wie. (‘Oh? Ik dacht dat ik dat zelf was’).

In ieder geval ben ik er mee gestopt om collega-freelancers niet meer te betalen voor brainstormsessies. ‘Vroeger’, toen er meer vaste banen waren en men elkaar in de baas (m/v) zijn tijd nog wel eens wilde adviseren was dat redelijk normaal. Nu kan dat echt niet meer.

Hoe we verder omgaan met het verschil tussen freelancers en de mazzelaars die nog wel een vast contract hebben is een andere interessante vraag. Want laten we wel zijn: ook in culturele sector werken mensen die leuk verdienen. En dan nog: is dat erg? Of zijn het vooral de grote onderlinge verschillen waar het pijn doet? Mijn collega Anoek Nuyens stelde onlangs voor om die discussie op radicale wijze met elkaar aan te gaan en een keiharde expositie van loonstrookjes en salarisspecificaties te organiseren tijdens het Nederlands Theater Festival in september.

Dat zal me een klapper worden. Over elkaars salaris praten is in ons land wel zo’n beetje het allergrootste taboe denkbaar. Nederlanders delen nog liever het volledige verslag van hun therapiesessies dan de inhoud van hun salarisstrookje.

Ik kan me alvast wat prikkelende vragen voorstellen als het om Fair Practice gaat. Bijvoorbeeld: is het onredelijk om van een 67 plusser met een goed pensioen te verwachten dat hij of zijn geen betaald werk meer verricht? Of: is het raar om van een zwaar betaalde directeur in de culturele sector met een jaarsalaris boven de zeg, 100.000 euro te vragen om 10 procent van zijn of haar taken (en honorarium) af te staan, zodat een freelancer er weer een klus bij heeft? En: mogen we van de nieuwe generatie aan de top eisen dat zij met minder salaris genoegen nemen dan de gepensioneerde babyboomer die zij hebben opgevolgd? Of gaan we er gevoeglijk van uit dat ze zelf al op dat idee gekomen waren? Tuurlijk! Idealisme regeert, toch? En ook: moeten we niet net als de Amerikaanse president de zittingstermijn van directies beperken tot twee keer vier jaar, om zodoende de doorstroming in ons vak eindelijk een beetje te bevorderen? Van die dingen dus.

Dat zal me een heerlijk verhit debat opleveren. Als er al iemand komt opdagen natuurlijk. Nou ja, ik ben er. En Anoek hoop ik. Ik braaf met een kopie van mijn jaaraangifte 2016 in de hand en zij met haar radicale ‘The future is female’ t-shirt aan. Ik kan niet wachten.

Leeg de kan

Met sommige mensen is het snel schakelen. Je hebt een idee, de ander vult je halverwege je zin aan, je bent akkoord, hangt op en gaat aan de slag. Zulke gesprekken heb ik opvallend genoeg vooral met stand-up comedians, bedenk ik mij nu. Misschien schakelen comedians snel. Dat is tenslotte hun vak. Of ze hebben gewoon geen zin om lang met mij aan de telefoon te hangen. Dat kan ook.

Ik hou erg van dat soort drie minuten gesprekken. Het gaat tenslotte om Het Idee. Een idee is goed, of niet. Of je daar nu lang of kort over praat.

In Robert Altman’s film The Player uit 1992 hebben scenarioschrijvers vier zinnen om hun plot aan de filmbazen uit te leggen. Vier zinnen om de geldschieters er van te overtuigen dat dit verhaal een film moet worden. Dan weten de filmbazen genoeg.

In de theatersector werkt het eigenlijk niet anders. ‘Een te gek concept doet alles’, zegt collega Pien van Gemert van het Nationale Theater op LinkedIn over The Nation van regisseur Eric de Vroedt. ‘Een soort Netflix in het theater, opgeknipt in korte afleveringen. Uitmondend in een marathon-voorstelling’. Bij de generale was nog nooit zo veel nieuw publiek geweest.

Maar pas op: er zijn twee valkuilen als het om ideeën gaat. ‘Een goed idee verkoopt zichzelf’, is een veel gehoord cliché. Dat is onzin. Je kunt nog zo veel leuke ideeën hebben, maar als niemand ze kent, ben je nog geen stap verder. Communicatie is key.

Ideeën komen bovendien niet vanzelf is mijn ervaring. Ze komen pas als er ruimte voor in je hoofd is. Een te volle agenda, zorgen, hectiek, lange vergaderingen, congressen, beleidsplannen schrijven: mij helpen ze niet om tot goede ideeën te komen. Leegte wel. Het is net als bij een volle kan water. Er is geen ruimte meer om er ook maar een druppel bij te doen.

Leeg de kan en hij vult zich met nieuwe plannen.

 

Rebel of revolutionair?

Soms kom ik in mijn archief brieven tegen waarvan ik de echte waarde pas jaren later begrijp. Zo vond ik vanmorgen een brief terug van de Nederlandse filosoof en hoogleraar Lolle Nauta, geboren in 1929 te Sneek, overleden in Groningen op 11 september 2006. Hij schreef mij in 1986 een kort, getypt briefje naar aanleiding van mijn optreden als puberende punkdichter met begeleiding van een stuiterende band.

‘Jullie optreden was voor mij het hoogtepunt en dat wil ik je schrijven’, zegt Nauta in de brief, ‘omdat je tegen een muur van onbegrip praatte, schreeuwde. Veel mensen die permanent buigen en dus ook permanent onderdrukt worden (alias onderdrukken) en die dus met gemak de druk van je gedichten konden weerstaan’.

En dus?, vroeg ik mij dertig jaar geleden, ofschoon ik oprecht blij was met de brief, toch enigszins vertwijfeld af. Wat doe ik nu? Dichten doe ik inmiddels al lang niet meer. Maar gisteren las ik over het verschil tussen een rebel en een revolutionair. Een revolutionair strijdt tegen het oude en probeert het bestaande regime omver te werpen. Om vervolgens niet zelden zelf de onderdrukker te worden.

Een rebel verliest geen onnodige energie aan een zinloze strijd. Een rebel doet het gewoon anders.

Dat is wat Lolle Nauta mij destijds ook wilde vertellen, denk ik. Want luidruchtig protest is gemakkelijk te weerstaan, weet ik nu. Echte verandering komt uiteindelijk van mensen die zich niets van anderen aantrekken en blijmoedig hun eigen bevlogen gang gaan.

266px-Lolle-nauta-1332768229

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑